ECLI:NL:RBDHA:2026:12541

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16053
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag verblijfsvergunning asiel Dublin Italië

Eiseres diende op 2 juni 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden een besluit genomen, ondanks een onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening met betrekking tot Italië.

De rechtbank stelt vast dat sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 april 2023 vaststaat dat overdracht aan Italië niet mogelijk is vanwege het ontbreken van opvangfaciliteiten. Hierdoor is Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag. De minister heeft de beslistermijn overschreden en is tijdig in gebreke gesteld door eiseres.

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond, legt een termijn van zestien weken op waarbinnen de minister eerst een nader gehoor moet afnemen en daarna een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd bij overschrijding. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €467 aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn van zestien weken op om een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16053
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. D. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond?

3. De minister dient in eerste instantie uiterlijk zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,4 vangt de zesmaandentermijn aan op het moment waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw.).
4 Artikel 30 van Pro de Vw.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4. Eiseres heeft op 2 juni 2025 haar asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister mag onder bepaalde omstandigheden artikel 42, zesde lid, van de Vw ook toepassen in de situatie dat hij onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat. Dat onderzoek moet meer omvatten dan enkel een onderzoek in Eurodac.6
5. De minister heeft een zogenoemde Eurodac-bevraging en een EU-Vis bevraging verricht. Verder heeft de minister een zogenaamd aanmeldgehoor Dublin afgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit samenstel van handelingen te verstaan als een onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening.
6. De rechtbank stelt echter vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 26 april 2023 heeft bepaald dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.7 De ABRvS heeft ook geoordeeld dat, alhoewel de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn overdrachten als bedoeld in de Dublinverordening op enig moment te hervatten, het op dit moment nog niet mogelijk is vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat.
7. Vanaf het moment dat het voor de minister duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht aan Italië in geval van eiseres niet mogelijk was, is de minister verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat dit voor de minister in ieder geval duidelijk was na de uitspraak van de ABRvS van 26 april 2023. Ten tijde van het indienen van de aanvraag was het voor de minister duidelijk dat een overdracht aan Italië niet mogelijk was.De minister heeft de aanvraag op 2 juni 2025 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden.8 Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvraag. Eiseres heeft de minister op 3 maart 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts heeft eiseres meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Het beroep is daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

8. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.9 In deze zaak is dit aan de orde.
9. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser in deze zaak nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor omtrent de asielmotieven van eiseres moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.
7 ECLI:NL:RVS:2023:1654, r.o. 4.3.3.
8 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025/4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.
9 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.10 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van
€ 15.000,-.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
11. Uit het beroepschrift maakt de rechtbank op dat eiseres de rechtbank heeft verzocht om de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
12. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.11 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen zestien weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
10 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
11 Stb. 2025, 96.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken na het nader gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.