Eiser, afkomstig uit Eritrea, diende op 1 mei 2022 een eerste asielaanvraag in die niet werd behandeld omdat Italië verantwoordelijk was. Na overdracht aan Italië keerde eiser terug naar Nederland en diende op 25 december 2022 een nieuwe aanvraag in. De minister stelde dat de beslistermijn pas op 26 februari 2023 begon, na het verstrijken van de termijn voor een claimverzoek bij Italië, en dat de termijn nog niet was verstreken bij ingebrekestelling op 27 maart 2024.
De rechtbank onderzocht of de eerste aanvraag herleefde of dat de tweede aanvraag als nieuw moest worden beschouwd. Gezien de feitelijke overdracht en terugkeer oordeelde de rechtbank dat de tweede aanvraag als nieuw geldt en de beslistermijn daarop moet worden gebaseerd. Verder concludeerde de rechtbank dat geen onderzoek in het kader van de Dublinverordening had plaatsgevonden na de tweede aanvraag, waardoor de beslistermijn op 25 december 2022 is gaan lopen.
De beslistermijn was met negen maanden verlengd en eindigde op 25 maart 2024. Omdat de minister na deze datum niet had beslist, werd het beroep gegrond verklaard. De rechtbank legde een termijn van acht weken op voor het nemen van een besluit en stelde een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 vast. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.