Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12547

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
26/1721
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening rolstoelbus voor minderjarig kind wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker, wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarig kind met cognitieve en fysieke beperkingen, diende een aanvraag in voor een rolstoelbus nadat eerder een volautomatische rolstoellift was toegekend. De aanvraag werd door het college afgewezen omdat de eerder toegekende voorziening passend werd geacht.

Verzoeker stelde dat de rolstoellift niet meer passend was vanwege rug- en schouderklachten bij hem en zijn echtgenote, veroorzaakt door het gebruik van de lift. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze klachten onvoldoende onderbouwd waren met objectieve medische stukken en dat niet was aangetoond dat de klachten hoofdzakelijk door de rolstoellift werden veroorzaakt.

Daarnaast was onvoldoende gebleken dat de zorg voor het kind in het geding kwam, zodat er geen spoedeisend belang was om de bezwaarprocedure te omzeilen. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af en kwam niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een rolstoelbus wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1721

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (vader) van
[minderjarige],
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de Wmo [1] -aanvraag van verzoeker om een rolstoelbus voor het vervoeren van [minderjarige]. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat er geen spoedeisend belang is
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 28 oktober 2025 een Wmo-melding gedaan en op 26 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een rolstoelbus. Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 20 februari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. [minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2015 en heeft een aangeboren aandoening waardoor hij cognitieve en fysieke beperkingen heeft. Hij is sinds zijn achtste verjaardag volledig rolstoelgebonden. Bij besluit van 13 augustus 2024 heeft het college een bedrag van € 7.981,26 toegekend voor het aanpassen van de autobus (Mercedes-Benz V-klasse) van verzoeker door er een volautomatische rolstoellift met dubbelvouwend platform te plaatsen.
3.1.
Op 28 oktober 2025 heeft verzoeker zich gemeld bij het college voor het aanvragen van een rolstoelbus en daarbij toegelicht dat de rolstoellift niet meer passend is. Verzoeker heeft bij de aanvraag toegelicht dat hij en zijn echtgenote rugpijn krijgen door het gebruik van de rolstoellift.
3.2.
Bij het bestreden besluit heeft het college het verzoek afgewezen omdat er reeds eerder een passende voorziening, de volautomatische rolstoellift, is toegekend.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
4.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang; in dit geval moet bijvoorbeeld blijken dat niet kan worden gewacht op een beslissing op het bezwaarschrift. Pas als sprake is van spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit
.Daarom zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen spoedeisend belang is. Het volgende is van belang.
4.3.
Allereerst heeft verzoeker de gestelde ernstige rug- en schouderklachten van hem en zijn echtgenote niet onderbouwd met objectieve (medische) stukken. In de overgelegde uitdraai van verzoekers patiëntendossier is enkel opgenomen dat hij begin maart 2025 bij de huisarts is geweest vanwege rugklachten. Er is toen pijnstilling geadviseerd en eventueel aanvullend onderzoek als klachten aan blijven houden. Uit aanvullend bloedonderzoek eind januari 2026 zijn geen abnormale waarden naar voren gekomen. Ter zitting heeft verzoeker nog toegelicht dat hij sinds oktober 2025 ook nog wekelijks naar de fysiotherapeut ging maar dat hij inmiddels niet meer gaat omdat het niet valt te combineren met de zorg thuis. Hij kon niet inloggen in het systeem en heeft daarom geen stukken overgelegd van de fysiotherapeut. Van de echtgenote van verzoeker zijn er geen medische stukken omdat zij daarvoor niet naar de huisarts of fysiotherapeut is geweest.
Zelfs als aangenomen kan worden dat sprake is van (ernstige) rug- en schouderklachten bij verzoeker en zijn echtgenote is onvoldoende gebleken dat deze klachten grotendeels worden veroorzaakt door het bukken bij het gebruik van de rolstoellift en dat de voorziening daarom niet meer geschikt is. Temeer nu er ook veel tilmomenten binnenshuis zijn en verzoeker en zijn echtgenote dit zelf doen. De voorzieningenrechter ziet verder onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de zorg voor [minderjarige] in het geding komt en dat daarom de bezwaarprocedure niet afgewacht kan worden.
De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat inmiddels op 19 maart 2026 een hoorzitting in bezwaar heeft plaatsgevonden.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. De voorzieningenrechter komt daardoor niet toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.
-de griffier is verhinderd om
mede te ondertekenen -
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wmo = Wet maatschappelijke ondersteuning 2015