ECLI:NL:RBDHA:2026:12588
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De minister van Asiel en Migratie legde op 4 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 lid 1 sub a van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in uitspraken van december 2025, februari 2026 en april 2026.
De rechtbank beoordeelde het voortduren van de maatregel vanaf 27 maart 2026, het moment van het sluiten van het laatste onderzoek. Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting bestond, omdat de nationaliteit niet bevestigd werd door Marokko en de laissez-passer aanvraag bij Algerije al vijf maanden liep zonder resultaat. De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht op uitzetting bestaat, omdat de aanvraag bij Algerije nog in behandeling is en enige tijd mag worden gegund.
Verder stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelde, maar de rechtbank vond dat de minister voldoende rappelleringen en vertrekgesprekken had gevoerd. Ook het verzoek om een lichter middel werd afgewezen, omdat eiser onvoldoende medewerking had getoond en eerdere uitspraken dit standpunt bevestigden.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.