Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12596

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.25953
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b VbArt. 2 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht

Eiser, een Eritrese asielzoeker, werd op 6 mei 2026 aangehouden wegens het niet kunnen tonen van identiteitsdocumenten en opgelegd een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat er sprake was van zware gronden, waaronder het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, mede vanwege een eerdere asielaanvraag in Duitsland en het feit dat eiser zonder identiteitsdocumenten Nederland was binnengekomen.

Eiser betwistte de zware gronden 3a en 3b, stellende dat hij zich onverwijld had gemeld als asielzoeker en geen intentie had om zich aan toezicht te onttrekken. De rechtbank oordeelde echter dat de zware gronden feitelijk juist zijn, omdat eiser zonder documenten vanuit Duitsland via België naar Nederland reisde en zich daarmee feitelijk aan toezicht onttrok.

De lichte gronden werden niet betwist en werden eveneens als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beoordeeld. De rechtbank vond dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was en dat een lichter middel onvoldoende was om het risico op onttrekking te ondervangen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25953

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich, daarnaar gevraagd, akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 11 mei 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Tevens op 11 mei heeft verweerder een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek
gesloten op 13 mei 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1996.
2. Volgens de in het dossier aanwezige stukken is eiser op 6 mei 2026 strafrechtelijk aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 2 Wet Pro op de identificatieplicht en is eiser na zijn voorgeleiding overgenomen en opgehouden door de vreemdelingenpolitie. Uit de stukken komt verder naar voren dat eiser zich kort daarvoor niet had kunnen identificeren toen hem dat werd gevraagd door toezichthouders van de gemeente Rotterdam. Voor zover eiser stelt dat uit genoemd proces-verbaal van aanhouding onvoldoende blijkt van de reden om aan eiser te vragen zich te identificeren, is dat niet ter beoordeling aan de bewaringsrechter.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Bij raadpleging van het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend in Duitsland. Om die reden heeft verweerder terecht artikel 59a, eerste lid, van de Vw aan de maatregel ten grondslag gelegd. Volgens verweerder bestaat er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daartoe, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de zware gronden 3a en 3b. Eiser stelt dat hij zich onverwijld heeft gemeld als asielzoeker waardoor er geen sprake is van illegale binnenkomst in Nederland. Door zijn illegale vertrek uit Eritrea heeft hij geen paspoort verkregen. Ook bestrijdt eiser dat hij zich aan het aan het toezicht willen onttrekken.
5. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3a feitelijk juist is. Zoals in de maatregel is toegelicht, is eiser zonder identiteitsdocumenten naar Nederland is gekomen. Daarbij is hij als asielzoeker vanuit Duitsland vertrokken en aangetroffen in Nederland. Eiser heeft verklaard dat hij via België op weg was naar Engeland. Op deze wijze heeft eiser zich in Nederland tot aan zijn aanhouding feitelijk onttrokken aan het toezicht. Dat eiser stelt niet die bedoeling te hebben gehad, doet hier niet aan af. Ook de zware grond 3b is dus feitelijk juist.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en ook voldoende zijn gemotiveerd. De zware en lichte gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
7. Verweerder heeft met zijn verwijzing naar de gronden voor de maatregel voldoende gemotiveerd dat het onttrekkingsrisico niet kan worden ondervangen met een lichter middel. Ook heeft verweerder onbestreden overwogen dat de inbewaringstelling niet onevenredig bezwaarlijk moet worden geacht. De niet nader toegelichte stelling dat met een lichter middel had moeten worden volstaan volgt de rechtbank daarom niet.
8. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.