ECLI:NL:RBDHA:2026:12614

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL24.41727
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbAlgemene wet bestuursrechtWet op de vreemdelingenECLI:NL:RVS:2022:1918ECLI:NL:RVS:2023:3108
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning nareis wegens ontbrekende toestemmingsverklaring en onvoldoende bewijs familieband

Eiseres, een Eritrese minderjarige, verzocht om een verblijfsvergunning in het kader van nareis bij haar vermeende vader, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De minister wees de aanvraag af omdat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie met de referent niet aannemelijk waren gemaakt en omdat geen geldige toestemmingsverklaring van de moeder was overgelegd.

Eiseres voerde aan dat haar broer, eveneens zoon van de referent, zonder nader onderzoek een vergunning had gekregen en dat zij het voordeel van de twijfel verdiende. De rechtbank oordeelde dat elke zaak op eigen merites moet worden beoordeeld en dat in de zaak van de broer wel een geldige toestemmingsverklaring was overgelegd.

Verder stelde eiseres dat zij had moeten worden gehoord vanwege een gewijzigde motivering en de lange bezwaarperiode, maar de rechtbank vond dat de minister terecht van het horen kon afzien omdat geen nieuwe feiten waren ingebracht. Ook stelde eiseres dat DNA-onderzoek gefaciliteerd had moeten worden, maar de rechtbank vond dat de minister niet verplicht was dit te doen omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat uitreizen onmogelijk was.

Ten slotte erkende eiseres het ontbreken van een geldige toestemmingsverklaring, maar stelde dat dit een vergissing was en dat de minister had kunnen vragen om een nieuw formulier. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het gebrek aan toestemming aan haar had tegengeworpen, omdat dit de vierde nareisprocedure betrof en de toestemming steeds ontbrak. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning nareis wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van familieband en het ontbreken van een geldige toestemmingsverklaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.41727
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een mvv [1] in het kader van nareis.
1.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft de zaak op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Overwegingen

Achtergrond en bestreden besluit
2.1.
Eiseres stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2010. Zij heeft op 15 november 2021 een vierde opeenvolgende mvv-aanvraag ingediend en wenst verblijf bij referent, [referent], haar gestelde vader. Verweerder heeft aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op 2 september 2014. Referent heeft vervolgens binnen drie maanden na verlening van zijn verblijfsvergunning de eerste mvv-aanvraag voor eiseres ingediend, waardoor de aanvraag van eiseres is getoetst aan de voorwaarden voor nareis.
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 13 juni 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Bij besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen haar en referent niet aannemelijk is gemaakt. Daarnaast heeft eiseres geen toestemmingsverklaring van haar moeder ingediend, die achterblijft in Eritrea. Verweerder heeft verder van het horen in bezwaar afgezien op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb [2] , omdat er geen twijfel bestond over de conclusie dat het bezwaar ongegrond is.
Standpunten en beoordeling door de rechtbank
Zaak broer
3.1.
Eiseres voert aan dat de aanvraag van [naam], haar broer en zoon van referent, zonder nader onderzoek wel is ingewilligd, terwijl in die zaak evenmin de familierechtelijke relatie met referent was aangetoond. Eiseres begrijpt niet waarom in haar zaak nader onderzoek nodig is, nu verweerder heeft erkend dat zij het voordeel van de twijfel heeft gekregen wat betreft haar identiteit en de familierechtelijke relatie met referent.
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd waarom de zaak van eiseres verschilt van de zaak van haar broer [naam]. Niet in geschil is dat in de zaak van [naam] een geldige toestemmingsverklaring en een echt bevonden
Statement of Affidavitwas overgelegd, waarin de moeder heeft verklaard afstand te doen van [naam]. Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt kunnen stellen dat iedere zaak, waaronder de zaak van eiseres, op de eigen merites moet worden beoordeeld.
3.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Motiveringsgebrek en schending hoorplicht
4.1.
Eiseres stelt dat er in het bestreden besluit sprake is van een geheel andere motivering en reden tot afwijzing, in vergelijking met het primaire besluit, omdat er pas in het bestreden besluit een integrale beoordeling is gemaakt van alle overgelegde documenten en overgelegde verklaringen. Eiseres had daarom moeten worden gehoord. Eiseres stelt dat zij ook had moeten worden gehoord nu verweerder meer dan twee jaar de tijd nodig heeft gehad om op het bezwaar te beslissen. Dat is namelijk een lange periode en in die tijd kan veel veranderd zijn.
4.2.
Wat betreft het gestelde motiveringsgebrek oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat geen geheel andere motivering en reden tot afwijzing ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres in bezwaar op enkele aangevoerde punten is gevolgd en er in het bestreden besluit een zichtbare integrale beoordeling heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft kunnen vinden dat dit niet betekent dat sprake is van een andere afwijzingsgrond.
4.3.
Wat betreft de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [3] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar van eiseres kunnen afdoen als kennelijk ongegrond en mogen afzien van het horen. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat in de bezwaarfase geen nieuwe stukken zijn overgelegd wat betreft de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen haar en referent, en in de gronden van bezwaar geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht waarover eiseres gehoord had moeten worden. Verweerder heeft zich zodoende op het standpunt kunnen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander standpunt dan in het primaire besluit. Daarbij heeft verweerder ook kunnen betrekken dat eiseres naar eigen verklaring niet kon uitreizen voor het DNA-onderzoek.
4.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Nader DNA-onderzoek
5.1.
Eiseres stelt verder dat zij andere mogelijkheden heeft voorgesteld voor het nader DNA-onderzoek, zoals het faciliteren van DNA-onderzoek bij de Italiaanse ambassade in Asmara, Eritrea. Eiseres stelt dat zij inmiddels een stukje ouder is en dat de situatie aan de grens met Ethiopië ook is veranderd. Volgens eiseres wil referent dan ook onderzoeken of zij alsnog kan uitreizen, maar meent ook dat ten onrechte niet is gekeken naar de door hem voorgestelde opties.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling [4] van 15 augustus 2023 volgt dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat verweerder onder omstandigheden verplicht is aanvullend DNA-onderzoek te faciliteren door samenwerking met een andere EU [5] -lidstaat of door ten minste een onderzoek te doen naar die mogelijkheid, maar dat verweerder de medewerking van een andere EU-lidstaat alleen kan vragen en niet kan bewerkstelligen. Uit die uitspraak volgt ook dat verweerder niet altijd verplicht is het DNA-onderzoek te faciliteren door samenwerking met een andere EU-lidstaat of door ten minste een onderzoek te doen naar die mogelijkheid, bijvoorbeeld als niet aannemelijk is gemaakt dat er een schrijnende situatie zal ontstaan indien de vreemdeling in kwestie zal moeten uitreizen voor het DNA-onderzoek. [6]
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat DNA-onderzoek in deze zaak niet hoeft te worden gefaciliteerd nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat een schrijnende situatie zal ontstaan indien zij zal uitreizen naar Addis Abeba voor DNA-onderzoek. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij Eritrea niet kan uitreizen en evenmin dat zij pogingen heeft ondernomen om het land uit te reizen.
5.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreken toestemmingsverklaring
6.1.
Volgens eiseres klopt het dat er inderdaad geen geldige toestemmingsverklaring is overgelegd in bezwaar. Uit het dossier blijkt volgens eiseres echter dat abusievelijk een verkeerd formulier is doorgestuurd. Eiseres stelt dat verweerder om een nieuw formulier had kunnen vragen en bovendien de handtekening op het formulier had kunnen vergelijken met de handtekening op het toestemmingsformulier voor [naam]. Eiseres en [naam] hebben immers dezelfde moeder. Dit heeft verweerder nagelaten, hetgeen in strijd is met een zorgvuldige besluitvorming en de samenwerkingsverplichting.
6.2.
In beroep heeft eiseres alsnog een toestemmingsverklaring overgelegd, ondertekend door Freweyni Semere, de moeder van eiseres, op 23 december 2025.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat ten tijde van het bestreden besluit geen geldige toestemmingsverklaring is overgelegd door eiseres. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de onderhavige procedure de vierde nareisprocedure betreft en dat in geen van de procedures de moeder van eiseres toestemming heeft gegeven middels het voorgeschreven formulier of dit op een andere wijze heeft gedaan. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, nu al geruime tijd duidelijk is dat de toestemming van de moeder van eiseres ontbreekt en eiseres zich ervan bewust had moeten zijn dat deze toestemming vereist is, verweerder dit gebrek terecht aan eiseres heeft tegengeworpen. De rechtbank toetst het bestreden besluit. De toestemmingsverklaring was ten tijde van het bestreden besluit nog niet overgelegd.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Europese Unie.
6.ECLI:NL:RVS:2023:3108, zie rechtsoverweging 4-5.