Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12702

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL26.5196
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvoldoende actuele 15c-beoordeling

Eiser, een Syrische staatsburger geboren in 1972, verzocht op 14 januari 2024 om een verblijfsvergunning asiel. De minister wees dit verzoek op 22 januari 2026 af, stellende dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade liep bij terugkeer naar Syrië. De minister baseerde zich op een 15c-beoordeling waarin werd aangenomen dat er sprake is van relatief laag willekeurig geweld in Syrië.

Eiser voerde in beroep aan dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de meest actuele informatie over de humanitaire situatie in Syrië, waaronder geweldsincidenten in januari 2026 en rapporten over de situatie in de provincie van terugkeer. De rechtbank oordeelde dat de minister de actuele humanitaire omstandigheden onvoldoende had betrokken en dat het besluit daarom gebrekkig gemotiveerd was.

De rechtbank stelde vast dat de minister terecht de geloofwaardigheid van de individuele asielmotieven in twijfel trok, maar dat de algemene situatie in Syrië en de humanitaire omstandigheden wel degelijk relevant zijn voor de 15c-beoordeling. De rechtbank vernietigde het besluit en beval een hernieuwde beoordeling met inachtneming van de actuele informatie. Tevens veroordeelde zij de minister in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het afwijzingsbesluit en beveelt een hernieuwde beoordeling met actuele informatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5196

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 14 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op een hybride zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Suleman als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft verklaard dat hij in Syrië door twee personen meerdere keren is gevraagd om te vechten voor het Vrij Syrische Leger. Hij heeft dit steeds geweigerd. Na deze weigeringen heeft eiser Syrië verlaten. Eiser is in 2024 door dezelfde twee personen bedreigd via Facebook. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser dat deze twee personen eiser overal kunnen vinden, omdat zij tot de overheid behoren. Verder vreest eiser voor de algemene situatie in Syrië.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de problemen vanwege het weigeren om mee te vechten met het Vrij Syrische Leger;
- de problemen met de sjiieten in Syrië omdat eiser een soenniet is.
3.1.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De gestelde problemen met het Vrij Syrische Leger en de problemen van eiser vanwege het feit dat hij soenniet is, worden door verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder stelt dat deze asielmotieven – indien geloofwaardig – nimmer zwaarwegend genoeg zullen zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.
Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Dat eiser uit Syrië komt, is onvoldoende om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. Volgens verweerder loopt eiser bij terugkeer naar Syrië ook geen reëel risico op ernstige schade. In Syrië is volgens het beleid van verweerder [1] immers sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn. [2] De individuele omstandigheden die eiser heeft aangevoerd leiden niet tot de conclusie dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van dit geweld. Hierbij heeft verweerder betrokken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor wraak vanuit het Vrij Syrische Leger. De vrees van eiser om ontvoerd te worden bij terugkeer komt niet overeen met de landeninformatie. Verweerder wijst er verder op dat de nieuwe regering zich tolerant opstelt tegenover alle religieuze en etnische groepen. De vrees van eiser voor problemen wegens het zijn van een soenniet is dan ook niet aannemelijk.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser kan zich niet verenigen met de inhoud van het bestreden besluit. Hij voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert aan dat verweerder de actuele situatie in Syrië onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. De situatie is immers verslechterd, zoals blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 en de geweldsincidenten in januari 2026. Verweerder had aan moeten nemen dat er sprake is van een 15c-situatie gelet op de veiligheidssituatie in het herkomstgebied van eiser. Eisers individuele omstandigheden maken bovendien ook dat sprake is van een 15c-situatie. Deze zijn volgens eiser onvoldoende betrokken. Verder stelt eiser dat verweerder de werkwijze ‘afdoening op zwaarwegendheid’ bij het tweede en derde asielmotief verkeerd heeft toegepast. Verweerder maakt in beide gevallen namelijk toch een geloofwaardigheidsbeoordeling van de asielmotieven terwijl dit niet past binnen deze werkwijze.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Afdoening pilot zwaarwegendheid5. Wanneer verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden laat, moet het er bij de rechterlijke toetsing voor gehouden worden dat verweerder de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Zo lang verweerder alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven als uitgangspunt neemt, leidt de pilotwerkwijze in algemene zin niet tot een onzorgvuldige beoordeling van het asielrelaas. [3] De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder heeft kunnen concluderen dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is om een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
Gegronde vrees voor vervolging6. Verweerder heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt een gegronde vrees te hebben voor wraak vanuit het Vrije Syrische Leger vanwege zijn weigering om met hen mee te vechten. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat het veertien jaar geleden is dat eiser persoonlijk is benaderd, dat niet is onderbouwd dat de facebook reacties daadwerkelijk van VSL leden zijn en dat de vrees enkel gebaseerd is op persoonlijke vermoedens. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom eiser nu nog zou worden gezocht of in de negatieve aandacht zou staan van het huidige Syrische regime.
Verweerder heeft verder mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt te hoeven vrezen voor ontvoering bij terugkomst in Syrië. Uit de landeninformatie volgt immers dat Syrische staatsburgers kunnen terugkeren naar Syrië en zijn er hierover geen problemen bekend. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat illegale uitreis sinds maart 2019 niet langer strafbaar is in Syrië en de huidige president heeft gezegd dat iedereen welkom is om terug te keren. Verweerder heeft tot slot mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij moet vrezen voor problemen in Syrië vanwege het zijn van een soenniet. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat de huidige president zich tolerant opstelt tegenover alle religieuze en etnische groepen. Eiser heeft daarnaast niet concreet kunnen maken wat er zou kunnen gebeuren bij terugkeer.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, [4] nu de in het besluit verrichte ‘15-c beoordeling’ niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling nagelaten om de meest actuele informatie over de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken. [5]
7.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gebaseerd op informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025. In het verweerschrift heeft verweerder ook gewezen op informatie over geweldsincidenten uit het ambtsbericht van januari 2026 en op cijfers over burgerslachtoffers en geweldsincidenten, waar een dalende trend te zien is. Ten slotte heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de humanitaire situatie in Syrië niet of nauwelijks te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict, maar juist het gevolg is van jarenlange oorlog, internationale sancties en het regime Assad. Verweerder heeft erop gewezen dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de ‘15c-beoordeling’ als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict. Daarvan is volgens verweerder geen sprake en daarom spelen de humanitaire omstandigheden geen rol in de 15c-beoordeling.
7.2.
Ten aanzien van het betrekken van de humanitaire omstandigheden in de ‘15c-beoordeling’ overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. [6] Maar, mede gelet op de volatiele situatie in Syrië had verweerder de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de verwijzingen naar (verouderde) informatie uit mei en juli 2025. [7] De rechtbank overweegt daarbij ook dat, hoewel verweerder er in het verweerschrift op heeft kunnen wijzen dat uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald, het aantal burgerdoden is afgenomen en dat er een dalende trend in geweldsincidenten in [provincie] (het gebied van terugkeer van eiser) te zien is, verweerder de door de gemachtigde van eiser overgelegde landeninformatie onvoldoende heeft betrokken in deze beoordeling. Daarbij is van belang dat de gemachtigde van eiser er ter zitting op heeft gewezen dat uit het ambtsbericht van januari 2026 weliswaar blijkt dat het grootste gedeelte van de [provincie] onder controle staat van de overgangsregering, maar dat de overheidsregering niet in staat is gebleken om grove mensenrechtenschendingen te voorkomen en de veiligheid voor de eigen bevolking te garanderen. De gemachtigde van eiser heeft hierbij gewezen op de Syrian Observatory of Human Rights van oktober 2025, waaruit blijkt dat de overgangsregering belangrijke wegen in [provincie] wekenlang heeft afgesloten en dat dit bijdraagt aan de leed van burgers en de humanitaire crisis in de regio escaleert. De gemachtigde van eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder deze omstandigheid niet heeft betrokken bij zijn beoordeling, niet in het briefverweer en ook niet ter zitting. Zij wijst verder naar de geweldsescalaties in de stad Suweida en de gevechten tussen de overgangsregering en de SDF van begin januari 2026 in [provincie]. De gemachtigde van eiser heeft er terecht op gewezen dat de gevechten van begin januari 2026 in [provincie] en de gevolgen daarvan niet zijn meegenomen in het meest recente ambtsbericht van januari 2026, nu de verslagperiode de periode van mei 2025 tot en met december 2025 beslaat. Het enkele standpunt van verweerder ter zitting dat, hoewel verweerder erkent dat er incidenteel geweld kan voorkomen, dit verweerders standpunt niet anders maakt, is in dit verband onvoldoende. Ook de verwijzing van verweerder naar de uitspraak van deze rechtbank van 17 april 2026 [8] is onvoldoende. Anders dan in die zaak, heeft eiser in deze zaak wel landeninformatie overgelegd waardoor verweerder niet zonder nadere motivering kan stellen dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [provincie] in het bijzonder niet veroorzaken en/of in stand houden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd. Het beroep is gegrond.
7.3.
Gelet op het voorgaande kan nog niet worden beoordeeld in hoeverre de individuele omstandigheden van eiser, namelijk dat hij op leeftijd en minder mobiel is, maken dat hij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij een verhoogd risico loopt vanwege zijn weigering in het verleden om mee te vechten met het Vrije Syrische Leger en het feit dat hij soenniet is geworden, is van belang dat deze omstandigheden verband houden met een vrees voor gericht geweld in plaats van een verhoogd risico op willekeurig geweld. De rechtbank heeft onder 6. al overwogen dat verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser op grond hiervan geen gegronde vrees voor vervolging heeft.
Terugkeerbesluit
8. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [9] . In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de (slechte) humanitaire omstandigheden niet worden veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, zodat moet worden uitgegaan van de zwaardere toets als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi [10] . Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verweerder onvoldoende op basis van actuele informatie gemotiveerd dat de humanitaire omstandigheden niet worden veroorzaakt of in stand worden gelaten door strijdende partijen. Die actuele informatie speelt ook een rol bij de beoordeling van de vraag of de slechte humanitaire omstandigheden ertoe leiden dat artikel 3 van Pro het EVRM wordt geschonden. Ook op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 22 januari 2026. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. [11]

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.
4.Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
5.De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
7.Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.
8.Zaaknummer NL25.63906 (niet gepubliceerd).
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
11.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.