Eiser, een Syrische christen, diende op 9 juni 2025 een asielaanvraag in die op 24 juni 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Hij vreesde terugkeer vanwege dreiging door het Koerdische leger en zijn geloofsovertuiging. Verweerder achtte de vrees niet aannemelijk en motiveerde onvoldoende waarom de humanitaire omstandigheden in Syrië niet tot subsidiaire bescherming leidden.
De rechtbank oordeelt dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt of in stand gehouden door partijen die actief zijn in het gewapend conflict betrokken mogen worden bij de beoordeling van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft nagelaten actuele informatie te betrekken en een aparte beoordeling te maken van het risico op schending van artikel 3 EVRMPro.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek en wijst verweerder op de verplichting een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens veroordeelt zij verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de humanitaire omstandigheden en het risico op ernstige schade.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28503
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. C.C. Smit),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 9 juni 2025 asiel aangevraagd. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De behandeling van het beroep stond eerder gepland op 2 september 2025. Op verzoek van verweerder is de behandeling aangehouden, om het bestreden besluit aanvullend te motiveren, gelet op de tussenuitspraken van de zittingsplaats Roermond van 5 juni 2025 [1] en 30 juli 2025 [2] .
1.2.
Op 19 december 2025 heeft verweerder een aanvullende motivering ingediend, waarop eiser op 9 januari 2026 heeft gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Suleman als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Hij heeft tot 2014 op het platteland van [plaats] gewoond en vervolgens in de stad zelf. Daar is hij slachtoffer geworden van een poging tot ontvoering. Van oktober tot december 2024 heeft eiser in Tartous verbleven. In deze periode is eiser op straat uitgescholden vanwege zijn christelijke geloof. Aan het eind van 2024 is eiser teruggekeerd naar [plaats] . Hij is in zijn winkel tweemaal benaderd door het Koerdische leger waarbij hem is gezegd dat hij een wapen voor hen moest dragen. De laatste keer dreigden ze dat eiser ofwel een wapen moest dragen, of 700 dollar aan hen moest betalen. Omdat eiser dit niet wilde, besloot hij te vluchten. Bij terugkeer naar Syrië vreest hij voor problemen met het Koerdische leger en problemen vanwege zijn christelijke overtuiging.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt alle verklaringen van eiser geloofwaardig. Maar volgens verweerder heeft eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging op grond van het Vluchtelingenverdrag [3] en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15 vanPro de Kwalificatierichtlijn [4] .
Over eisers christelijke geloof erkent verweerder dat er in Syrië spanningen bestaan tussen verschillende religieuze groeperingen. Uit openbare bronnen blijkt evenwel dat christenen in diverse delen van Syrië nog steeds in staat zijn om hun religie uit te oefenen waaronder in delen van [plaats] . Er is volgens verweerder geen groepsvervolging van christenen. Ook uit eisers persoonlijke verklaringen blijkt volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging vanwege zijn christelijke geloofsovertuiging. Eiser heeft in [plaats] zelfstandig kunnen wonen, werken en een eigen winkel kunnen runnen. Ook kon hij elke zondag een kerk bezoeken.
De vrees van eiser om gedwongen gerekruteerd te worden door de Koerdische strijdkrachten heeft verweerder beoordeeld onder reëel risico op ernstige schade, omdat deze vrees volgens verweerder niet ziet op de gronden uit het Vluchtelingenverdrag. Verweerder vindt eisers vrees voor rekrutering niet aannemelijk. Uit eisers verklaringen blijkt dat hij de verzoeken van het Koerdische leger succesvol kon weigeren zonder dat dit tot enige vorm van geweld, detentie, bedreiging of vervolging heeft geleid. Verder blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 dat rekrutering door de Koerdische strijdkrachten voornamelijk voorkomt onder Koerdische jongeren en voormalige strijders van rivaliserende groepen.
De poging tot ontvoering was volgens verweerder niet specifiek op eiser gericht. Verweerder merkt dit daarom aan als een eenmalige gewelddadige beroving met een financieel motief, die onvoldoende grond biedt om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.
Over de algemene situatie in Syrië neemt verweerder voor [plaats] aan dat er een relatief laag niveau van willekeurig geweld is. Volgens verweerder heeft eiser geen concrete aanwijzingen of individuele omstandigheden naar voren gebracht die erop wijzen dat hij een grotere kans loopt slachtoffer te worden van dit willekeurige geweld.
Tot slot heeft verweerder de aanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard, omdat hij een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt, omdat eiser zijn Syrische paspoort aan een reisagent heeft overhandigd. Verweerder vindt het aannemelijk dat eiser te kwader trouw het paspoort heeft afgegeven en zich daar bewust van heeft ontdaan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de vrees van eiser voor rekrutering door de Koerdische strijdkrachten niet kan leiden tot vluchtelingschap. Verweerder heeft daarbij onvoldoende gereageerd op eisers zienswijze over de eisen die hem door de Koerden werden gesteld, waardoor hij niet langer in zijn bestaansmogelijkheden kon voorzien.
Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderbouwd dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt. Over de algemene situatie in Syrië voert eiser primair aan dat uit openbare landeninformatie niet de conclusie kan worden getrokken dat de veiligheidssituatie in Syrië zodanig is verbeterd dat de uitgangspunten van het beleid dat voorafgaand aan het besluitmoratorium gold, waarbij subsidiaire bescherming werd verleend, niet langer gelden. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat moet worden uitgegaan van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Zo zijn er in de eerste maanden na de val van Assad honderden doden en gewonden gevallen bij incidenten met ontplofbare oorlogsresten, is er in het leefgebied van eiser nog altijd sprake van gevechten en is IS bezig met een opkomst. Eiser heeft hiertoe verwezen naar verschillende bronnen van onder andere het EUAA en de UNHCR. Het is daarnaast niet inzichtelijk of, en in welke mate, de slechte humanitaire omstandigheden zijn meegenomen bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld. Subsidiair voert eiser aan dat de veiligheidssituatie zodanig onzeker is dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij het beslismoratorium niet heeft verlengd, terwijl hier wel een wettelijke mogelijkheid voor was. Tot slot heeft verweerder in het kader van het terugkeerbesluit geen actuele beoordeling gemaakt van het refoulementrisico, waarbij ook de humanitaire situatie meegenomen moet worden zonder het actor-vereiste.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Rekrutering door Koerdische strijdkrachten
5. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers vrees om gedwongen gerekruteerd te worden niet aannemelijk is. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser de verzoeken van de Koerdische strijdkrachten heeft geweigerd zonder dat dit tot enige vorm van geweld, detentie, bedreiging of vervolging heeft geleid. Ook heeft eiser verklaard dat hij zich kon onttrekken aan confrontatie door smoezen te gebruiken, de winkel te sluiten of zich terug te trekken. Daarnaast heeft verweerder erop kunnen wijzen dat uit algemene landeninformatie volgt dat rekrutering door de Koerdische strijdkrachten met name voorkomt onder Koerdische jongeren. Uit de bronnen waarnaar eiser heeft verwezen in de aanvullende gronden volgt weliswaar dat de rekrutering geïntensiveerd is, maar deze bronnen vermelden de rekrutering van mannen jonger dan 40 jaar in Raqqa en de rekrutering van kinderen. [5]
5.1.
Alleen wanneer sprake is van aannemelijke vermoedens hoeft verweerder verder te toetsen of deze aannemelijke vermoedens moeten worden gekwalificeerd als gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Omdat verweerder heeft kunnen concluderen dat eisers vrees voor rekrutering niet aannemelijk is, heeft verweerder dit niet hoeven beoordelen. Eisers beroepsgrond dat verweerder zijn vrees voor de Koerdische strijdkrachten onder vluchtelingschap had moeten beoordelen, slaagt daarom niet.
Algemene situatie in Syrië
Toetsingskader
6. Voor de beoordeling of een asielzoeker een reëel risico loopt op ernstige schade is artikel 15 vanPro de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, van belang. In deze bepaling wordt ‘ernstige schade’ gedefinieerd. Volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Uit het arrest X en Y [6] volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.
In het arrest CF en DN [7] heeft het Hof elementen genoemd die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte valt van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Alle relevante omstandigheden moeten globaal in aanmerking worden genomen, en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. Verder heeft de Afdeling recent geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. [8]
Humanitaire omstandigheden
7. Op de zitting heeft verweerder erkend dat er sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit van 24 juni 2025, omdat in het bestreden besluit de humanitaire omstandigheden niet zijn betrokken bij de 15c-beoordeling. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding en ziet ook geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7.1.
Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat er op dit moment een gewapend conflict is in Syrië en dat de humanitaire omstandigheden aldaar slecht zijn. Waar partijen over verdeeld zijn, is de vraag in hoeverre deze humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken bij de 15c-beoordeling. Eiser stelt zich op het standpunt dat de huidige humanitaire omstandigheden moeten worden meegenomen in de 15c-beoordeling, ongeacht wanneer en door welke actor deze zijn veroorzaakt. Volgens eiser is ook niet relevant of die actor nog actief is in het gewapende conflict dat zich nu voordoet in Syrië. Verweerder vindt daarentegen dat het moet gaan om humanitaire omstandigheden die in een causaal verband staan met een nog lopend gewapend conflict en met een partij (of partijen) die nog steeds actief betrokken is (of zijn) bij het conflict. Ook moet het handelen of nalaten dat tot de slechte humanitaire omstandigheden heeft geleid van enigszins recente datum zijn, aldus verweerder.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Met het betrekken van humanitaire omstandigheden zonder er daarbij acht op te slaan wanneer deze zijn veroorzaakt, welke actor daarvoor verantwoordelijk is en of deze actor nog actief is in het gewapende conflict, zou worden voorbijgegaan aan de reikwijdte van de bescherming die artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn biedt. Die bescherming ziet alleen op personen die bij terugkeer het risico lopen op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Daaruit vloeit voort dat de humanitaire omstandigheden door een actor moeten zijn veroorzaakt die nog steeds actief is in het gewapende conflict dat zich nu voordoet.
7.3.
Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Maar verweerder kon in dit geval in de aanvullende motivering van 19 december 2025 niet meer volstaan met het Algemeen Ambtsbericht uit mei 2025 als uitgangspunt. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat de situatie in Syrië – zoals ook in dat ambtsbericht staat – volatiel en onzeker is. In de nota landenbeleid Syrië van 4 juni 2025 staat in dit verband dan ook dat “niet goed valt in te schatten hoe de situatie zich verder zal ontvouwen”. Dat sprake is van een bijzonder veranderlijke en onzekere situatie blijkt ook wel uit de recente ontwikkelingen in noordoost-Syrië. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van verweerder om in zijn aanvullende motivering de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië aan de hand van actuele bronnen te beoordelen en daarbij te betrekken in hoeverre deze humanitaire omstandigheden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die momenteel nog actief zijn in het gewapende conflict. Verweerder heeft dit ten onrechte niet gedaan.
7.4.
Tot slot wijst de rechtbank er nog op dat de slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië wel een rol kunnen spelen in de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM. In het arrest Sufi en Elmi [9] heeft het EHRM onderscheid gemaakt tussen humanitaire omstandigheden die in overwegende mate zijn ontstaan als gevolg van een gewapend conflict en humanitaire omstandigheden die veroorzaakt zijn door armoede en natuurrampen. Als de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ [10] Als blijkt dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door de strijdende partijen, dan wordt artikel 3 vanPro het EVRM slechts geschonden als sprake is van ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. [11] Verweerder heeft dit in het bestreden besluit en de aanvullende motivering niet inzichtelijk beoordeeld. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 vanPro het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. [12]
8. Aan een beoordeling van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet meer toe.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op eisers aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met de overwegingen van deze uitspraak.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,-. [13]
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, voorzitter, en mr. E.K.S. Mollen en mr. S.J.L. Crombach, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9840.
2.Tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14097.
3.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
5.‘Arrests, stalled talks, and military buildups. War drums beat in eastern Syria’, english.enabbaladi.net, 27 september 2025.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843.
7.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472.
8.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
9.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
10.Arrest Sufi en Elmi, punt 283.
11.Arrest Sufi en Elmi, punt 280.
12.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (
13.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor repliek/dupliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1.