ECLI:NL:RBDHA:2026:12756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL25.46378
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens bezwaarprocedure vreemdelingen

Verzoekster, van Kazachse nationaliteit, heeft een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend die bij besluit van 27 augustus 2025 door de minister is afgewezen. Tegen dit besluit heeft zij bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar is behandeld.

De minister heeft op 4 maart 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalt dat de minister zich moet onthouden van uitzetting of voorbereidingen daartoe totdat op het bezwaar is beslist.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en verbiedt de minister verzoekster uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46378

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] , verzoekster,

geboren op [geboortedatum verzoekster] ,
V-nummer: [V-nummer verzoekster] ,
van Kazachse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),

mede namens haar man en minderjarige kinderen,

[naam echtgenoot] ,
geboren [geboortedatum echtgenoot] ,
[V-nummer echtgenoot] ,
[naam oudste kind] ,
geboren [geboortedatum oudste kind] ,
[V-nummer oudste kind] ,
[naam jongste kind] ,
geboren [geboortedatum jongste kind]
[V-nummer jongste kind]
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening.
1.1.
Bij besluit van 27 augustus 2025 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster om verlening van een reguliere verblijfsvergunning afgewezen.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verzoekster het besluit op het bezwaar in Nederland mag afwachten.
1.3.
De minister heeft op 4 maart 2026 per brief laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Nu de minister zich niet verzet tegen de toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletstelen ziet om dit verzoek toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoekster niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een
wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • gebiedt de minister om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekster en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open