Verzoekster, van Kazachse nationaliteit, heeft een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend die door de minister is afgewezen bij besluit van 27 augustus 2025. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om uitzetting te voorkomen totdat het bezwaar is behandeld.
De minister heeft op 4 maart 2026 laten weten zich niet te verzetten tegen het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen en bepaalt dat de minister verzoekster en haar gezin niet mag uitzetten of voorbereidingen daartoe mag treffen zolang het bezwaar niet is beslist.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 934,- die verzoekster heeft gemaakt voor de beroepsmatige rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter F. Sijens en griffier M.S.G. van der Werf en is openbaar gemaakt op 20 mei 2026.