Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 10 december 2023 ontvangen, maar de minister had na 21 maanden nog geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 24 september 2025 in gebreke en diende vervolgens beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden heeft beslist en de ingebrekestelling correct is gedaan. De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken na verzending van de uitspraak vast, waarbij de minister verplicht wordt binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en de aard van het geschil.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober op 8 januari 2026. De rechtbank ziet geen noodzaak tot het houden van een zitting en vernietigt het niet tijdig genomen besluit.