Verzoekster, van Turkse nationaliteit, had een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 2 december 2025 werd afgewezen. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar en verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij in Nederland mocht blijven totdat het bezwaar was afgehandeld.
De minister stelde zich op 1 april 2026 niet op het standpunt dat hij zich tegen de voorlopige voorziening verzette. De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en gelet op de belangen van verzoekster onverwijlde spoed bestond om de voorziening toe te wijzen.
De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister zich moet onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting van verzoekster totdat op het bezwaar is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 907,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.