Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12860

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.3214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek met onbekende bestemming en geen contact met gemachtigde

Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 31 augustus 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 13 januari 2026 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank vroeg partijen of een zitting nodig was, wat door beide partijen werd ontkend, waarna het onderzoek werd gesloten zonder zitting. De minister informeerde de rechtbank dat eiser op 16 maart 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan op 8 april 2026 geen contact meer met eiser te hebben.

Op basis van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde de rechtbank dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht, en dus geen procesbelang meer heeft bij het beroep. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en behandelde de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3214

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde. Daarom heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 31 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1994. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen het daarmee eens zijn, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt eerst of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft de rechtbank namelijk op 19 maart 2026 laten weten dat eiser op 16 maart 2026 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken.
4. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd op 8 april 2026 aangegeven dat zij geen contact heeft met eiser.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. [2] In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
6. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en