Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12861

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL25.27606
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.116 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens schending zienswijzertermijn

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 12 juni 2025, waarin zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd afgewezen. De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 behandeld en direct uitspraak gedaan.

De rechtbank oordeelt dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft genomen omdat hij de zienswijzertermijn, waarin eiser zijn zienswijze kon geven, niet heeft afgewacht. Dit is in strijd met artikel 3.116 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank stelt dat het niet respecteren van deze termijn inherent leidt tot benadeling van eiser, omdat de zienswijze een essentieel onderdeel is van de besluitvormingsprocedure.

De minister erkende het niet afwachten van de zienswijzertermijn, maar stelde dat eiser niet benadeeld was omdat hij geen inhoudelijke zienswijze had ingediend. De rechtbank volgt dit niet en benadrukt dat eiser niet verplicht is afstand te doen van zijn recht op zienswijze. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, waarbij eiser vooraf een termijn van vier weken krijgt om een zienswijze in te dienen.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van €1.868,- aan de gemachtigde van eiser. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd vanwege het niet afwachten van de zienswijzertermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27606
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M. Berkelmans).

Inleiding

1. Bij besluit van 12 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser, zijn gemachtigde en de tolk B.J. Kane zijn verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.4.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag. De rechtbank legt uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de minister in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel?
4. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak [1] de mogelijkheid voor de vreemdeling om een zienswijze naar voren te brengen moet worden aangemerkt als een essentieel onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op de aanvraag. Uit artikel 3.116, tweede lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat de vreemdeling uiterlijk binnen vier weken na uitreiking van het voornemen zijn zienswijze naar voren brengt.
5. De minister heeft beaamd dat hij ten onrechte eisers zienswijze niet heeft afgewacht en binnen de zienswijzetermijn een besluit heeft genomen. Reeds daarom is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat eiser door het bestreden besluit te nemen zonder de zienswijzetermijn af te wachten niet is benadeeld. De rechtbank vindt dat het feit dat de zienswijzetermijn niet is afgewacht, wat daar ook de reden van is, inherent aan een benadeling. De minister dient namelijk een goed gemotiveerd besluit te nemen. Omdat de zienswijze een essentieel onderdeel is van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het asielbesluit, is er in beginsel sprake van een benadeling als de minister de zienswijzetermijn niet respecteert. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat eiser niet is benadeeld omdat hij na het besluit ook niet kenbaar heeft gemaakt wat zijn zienswijze zou zijn geweest of inhoudelijke beroepsgronden tegen de afwijzing van de aanvraag heeft aangevoerd. Eiser is niet gehouden om afstand te doen van de zienswijzeprocedure die onder andere als doel heeft om de minister op andere gedachten te brengen over de afwijzing van zijn aanvraag dan wel om een beter gemotiveerde afwijzing van die aanvraag te krijgen. Het voorgaande betekent dat de minister een nieuw besluit dient te nemen, waarbij de minister ook het land van herkomst dient te betrekken. De minister moet eiser voorafgaand aan het nemen van dat besluit in de gelegenheid stellen een zienswijze in te dienen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 3.116 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
7. De minister zal eiser alsnog een termijn dienen te geven waarbinnen hij een zienswijze kan indienen. De rechtbank bepaalt dat die termijn vier weken is, na de bekendmaking van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak. De minister dient daarop binnen vier weken een nieuw besluit te nemen.
8. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde van eiser.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 24 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AH9079 en de uitspraak van 31 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1457.