Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 2 september 2025 en had een beslistermijn van zes maanden, maar heeft binnen die termijn niet beslist. Eiser stelde de minister op 25 maart 2026 tijdig in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De minister moet binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit nemen. De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank kan geen bestuurlijke dwangsom vaststellen over reeds verstreken termijn omdat de wettelijke bepalingen hierover sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van € 467,- aan eiser wegens inschakeling van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier A.W. van Eerden op 20 mei 2026. De minister wordt opgedragen binnen zestien weken alsnog een besluit te nemen, onder dreiging van de dwangsom.