Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 23 mei 2024, waarna de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden een besluit nam. Eiser stelde de minister op 2 maart 2026 schriftelijk in gebreke en diende vervolgens een beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden en eiser de ingebrekestelling correct heeft gedaan. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen, waarbij rekening is gehouden met het belang van een zorgvuldige en snelle besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de nieuwe beslistermijn overschrijdt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier A.W. van Eerden op 20 mei 2026.