ECLI:NL:RBDHA:2026:1292

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1351
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5 Richtlijn 2008/115Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking en zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat er zware gronden bestonden, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet vrijwillig naleven van de vertrekplicht. Eiser betwistte deze gronden en voerde aan dat hij asielzoeker is die gevaar loopt bij terugkeer naar Algerije.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de zware gronden heeft aangevoerd, met name dat eiser zich in het verleden aan toezicht heeft onttrokken en niet vrijwillig is vertrokken ondanks een terugkeerbesluit. De rechtbank vond dat deze feiten voldoende waren om de maatregel te dragen. Daarnaast werd het beroep verworpen omdat een lichter middel niet toereikend was gezien het risico op onttrekking.

Verder stelde eiser dat het zicht op uitzetting ontbrak vanwege het ontbreken van een paspoort en de onwaarschijnlijkheid van het verkrijgen van een laissez-passer. De rechtbank concludeerde dat er wel degelijk zicht op uitzetting is, mede omdat de aanvraag voor een laissez-passer in behandeling is en er geen aanwijzingen zijn dat de Algerijnse autoriteiten niet meewerken.

De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit en vond geen onrechtmatigheid in de oplegging van de maatregel, noch belemmeringen vanuit het non-refoulementbeginsel of het belang van het gezin. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1351

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam 1]).

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en derde lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, eerste en vierde lid van het Vb, vermeld dat
eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser betwist alle zware gronden. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiser aan dat hij asielzoeker is en met gevaar voor eigen leven is gevlucht. Met betrekking tot zware grond 3b voert eiser aan dat hij zich inderdaad gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken, maar dat dit niet recent was. Wat betreft zware grond 3c voert eiser aan dat hij Nederland niet kan verlaten omdat hij levensgevaar loopt in Algerije. Eiser heeft stukken overgelegd met betrekking tot de moord op zijn broer, waaruit volgens hem tevens blijkt dat hij zelf ook gevaar loopt. Ten aanzien van zware grond 3d stelt eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit, omdat hij geen paspoort heeft en het wegens het gevaar dat hij loopt in Algerije het niet mogelijk voor hem is om te communiceren met de Algerijnse of Libische autoriteiten. Tot slot voert eiser met betrekking tot zware grond 3i aan dat hij gevaar loopt en dus geen gevolg kan geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
1.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Uit het dossier blijkt dat eiser op 10 november 2021 en op 9 april 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Hiermee heeft eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat dit te lang geleden is om aan eiser tegengeworpen te kunnen worden. Verweerder heeft de zware grond 3b dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring.
1.4.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft op 14 augustus 2025 een beschikking gekregen waarin een terugkeerbesluit is opgenomen waarin staat dat hij Nederland binnen een maand moet verlaten en anders kan worden uitgezet. Door niet uit eigen beweging uit Nederland te vertrekken heeft eiser niet aan deze verplichting voldaan. De stukken die eiser heeft overgelegd waaruit het gestelde gevaar voor eiser zou volgen, hebben verweerder geen aanleiding gegeven om eiser een asielstatus te verlenen. Die stukken zijn bovendien al beoordeeld in de asielprocedure van eiser, te weten in de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:22988). Eiser heeft weliswaar hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en in dat kader een voorlopige voorziening verzocht, maar op dit hoger beroep is nog niet beslist en er is geen sprake van een toegewezen voorlopige voorziening. Eiser is daarom uitzetbaar. Verder heeft eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht om het gevaar dat hij stelt te lopen bij terugkeer naar Algerije te onderbouwen. Verweerder heeft de zware grond 3c dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring.
1.5.
De zware gronden 3b en 3c, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de overige zware gronden, laat de rechtbank dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiser betoogt verder dat verweerder de lichte gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring eenvoudig kan ondervangen met een lichter middel, zoals een meldplicht. Daarnaast voert eiser aan dat hij zich kwetsbaar voelt door de traumatische ervaring van het overlijden van zijn broer en zijn angst voor terugkeer naar Algerije. Deze omstandigheden maken inbewaringstelling onevenredig zwaar voor eiser en zijn onvoldoende meegewogen door verweerder.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval niet met een minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling kon worden volstaan. Gelet op de onder rechtsoverweging 1.2. tot en met 1.5. besproken dragende zware gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser twee keer met onbekende bestemming is vertrokken en zowel in meerdere vertrekgesprekken als tijdens zitting heeft verklaard niet terug te willen keren naar Algerije. Voor zover eiser stelt dat vreemdelingenbewaring voor hem vanwege zijn psychische gesteldheid onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en psychologische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door een gebrek aan psychologische zorg zal verslechteren. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en ontbreken paspoort
3. Tot slot voert eiser aan dat het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn geval ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat het onwaarschijnlijk is dat de Algerijnse autoriteiten een laissez-passer (lp) zullen afgeven. Eiser stelt dat hij inspanningen heeft verricht om aan een Algerijns paspoort te komen. Hiertoe voert hij aan dat hij in 2020 naar het Algerijnse consulaat in Frankrijk is gegaan. Het consulaat heeft aan eiser geen paspoort verstrekt, maar wel een verklaring dat hij Algerijn is. Eiser heeft de verklaring op de zitting getoond.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat (sinds december 2023) in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije wordt aangenomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722). De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De op 13 november 2025 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten en verweerder heeft inmiddels meerdere keren gerappelleerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij ten behoeve van eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet (meer) willen meewerken aan de terugkeerprocedure. De stelling dat het lastig is om een lp te krijgen van de Algerijnse autoriteiten is niet onderbouwd en dit is de rechtbank verder ook niet gebleken. Ook weegt de rechtbank mee dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Hoewel eiser met de verwijzing naar de verklaring van het Algerijnse consulaat in Frankrijk uit 2020 betoogt inspanningen te hebben verricht om aan een paspoort te komen, is dit volgens de rechtbank onvoldoende. Eiser heeft de betreffende verklaring niet overgelegd aan verweerder. Verder is niet gebleken dat eiser sinds 2020 nieuwe pogingen heeft gedaan om een paspoort aan te vragen. Eiser heeft juist uitdrukkelijk verklaard geen contact te willen met de Algerijnse autoriteiten. Van eiser kan meer worden verwacht om zijn uitzetting te bevorderen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.