Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12965

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL24.16104
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 29 VwVreemdelingencirculaire 2000 paragraaf C2/4.1.2Vreemdelingencirculaire 2000 paragraaf B7/3.8.1Vreemdelingencirculaire 2000 paragraaf B7/3.8.3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis meerderjarige dochter en kleinkinderen

Eiseres, een stateloze Palestijnse vrouw woonachtig in Syrië, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland in het kader van nareis bij haar moeder, de referent, die een verblijfsvergunning asiel bezit. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiseres en haar kinderen niet meer feitelijk tot het gezin van de referent behoren en er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheid bestaat.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat de gezinsband tussen eiseres en de referent is verbroken en dat de belangenafweging ten aanzien van de kinderen, ondanks hechte persoonlijke banden met de referent en haar dochter, in hun nadeel uitvalt. Verweerder heeft alle relevante feiten, waaronder de humanitaire situatie in Syrië en de stateloze status van eiseres en haar kinderen, betrokken in de belangenafweging.

De rechtbank stelt dat het belang van de kinderen bij verblijf in Nederland niet opweegt tegen het algemeen belang van Nederland bij een restrictief toelatingsbeleid, mede omdat de kinderen het meest gebaat zijn bij verblijf bij hun biologische moeder in Syrië. Ook het ontbreken van toestemming van de vader en het economisch belang van de staat zijn meegewogen.

De rechtbank concludeert dat de belangenafweging een fair balance vormt en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16104

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Aboukir),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I.A. Van der Vegt).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de voor eiseres en haar twee minderjarige kinderen ingediende aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen.
Bij besluit van 13 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1992 en haar nationaliteit is onbekend. Zij en haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2016) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2018) wonen in Syrië en beogen verblijf bij referente, de moeder van eiseres.
2. Eiseres maakte in Syrië onderdeel uit van het gezin van referente. In 2014 is eiseres getrouwd en samen met haar echtgenoot en hun kinderen is zij altijd bij referente blijven wonen. Haar echtgenoot is in 2018 vermist geraakt. In 2019 is referente naar Nederland gereisd, waar zij op 29 oktober 2020 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Op 29 januari 2021 heeft zij mvv-aanvragen ingediend voor eiseres en haar kinderen en voor haar jongvolwassen dochter, [naam dochter] . De mvv-aanvraag voor [naam dochter] is door verweerder ingewilligd. Over de mvv-aanvragen voor eiseres en haar kinderen gaat deze beroepsprocedure.
Het bestreden besluit
3. Het bestreden besluit houdt – samengevat – het volgende in. Eiseres komt niet in aanmerking voor de gevraagde mvv in het kader van nareis. De feitelijk gezinsband tussen eiseres en referente is namelijk verbroken, zodat eiseres niet meer feitelijk tot het gezin van referente behoort. In de eerste plaats stelt verweerder hiertoe dat eiseres in Syrië is getrouwd en twee kinderen heeft gekregen en daardoor een zelfstandig gezin heeft gevormd. In de tweede plaats stelt verweerder hiertoe dat niet is gebleken dat er tussen eiseres en referente een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat, zodat er dus geen sprake is van beschermingswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Verweerder gaat ten aanzien van de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM met referente en [naam dochter] omdat hechte, persoonlijke banden tussen hen aannemelijk zijn gemaakt. De verrichte belangenafweging valt echter in hun nadeel uit, waardoor ook zij niet in aanmerking komen voor de gevraagde mvv.
Beroepsgronden
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van de kinderen van eiseres heeft laten uitvallen. Zo heeft verweerder onvoldoende belang toegekend aan de objectieve belemmering om het gezinsleven uit te kunnen oefenen in Syrië en aan de hechte banden tussen referente, [naam dochter] en de kinderen. Ten onrechte heeft verweerder in het nadeel meegewogen dat zij het contact ook op afstand kunnen onderhouden. Verweerder heeft ten onrechte geen gewicht toegekend aan het feit dat eiseres en haar kinderen stateloze Palestijnen zijn. Ook heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom het gebrek aan hulp en de humanitaire situatie in Syrië niet betrokken is in de belangenafweging. Eiseres ziet verder onvoldoende terugkomen in de belangenafweging dat zij en haar kinderen daardoor financieel afhankelijk zijn van referente. Verweerder heeft ten onrechte in het nadeel meegewogen dat de kinderen het meest erbij zijn gebaat dat zij bij hun moeder blijven. Ten onrechte heeft verweerder tegengeworpen dat de kinderen in de toekomst wellicht een beroep zullen doen op de openbare kas. Tot slot heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat een toestemmingsverklaring van de vader van de kinderen ontbreekt. Er kan immers vervangende toestemming van de autoriteiten gevraagd worden.
Juridisch kader
5.1.
Op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan het meerderjarige kind van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de referent), indien dat meerderjarige kind zodanig afhankelijk is van de referent dat hij om die reden tot diens gezin behoort. Deze bepaling is nader uitgewerkt in de Vc. Uit paragraaf C2/4.1.2 van de Vc volgt dat verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 verleent als het desbetreffende gezinslid feitelijk behoort tot het gezin van de referent.
5.2.
Als een meerderjarig kind niet (meer) feitelijk behoort tot het gezin, dan beoordeelt verweerder of dat kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven hebben op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Anders dan bij reguliere gezinsherenigingszaken, beoordeelt verweerder in nareiszaken, gelet op de in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw genoemde afhankelijkheidsverhouding, alleen of bij het meerderjarige kind bijkomende elementen van afhankelijkheid aanwezig zijn ten opzichte van zijn ouder(s).
5.3.
Als verweerder zich op het standpunt stelt dat tussen het meerderjarige kind en zijn ouder(s) geen familie- of gezinsleven bestaat op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid dan hoeft hij geen belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM.
5.4.
Op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) neemt verweerder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM in ieder geval aan tussen een minderjarig kind en (onder meer) zijn grootouder(s) als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van persoonlijke hechte banden.
5.5.
Op grond van paragraaf B7/3.8.3 van de Vc neemt verweerder bij de beoordeling of de weigering van het verblijf in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen verweerder bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, heeft verweerder hierbij een zekere beoordelingsvrijheid.
Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt verweerder ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de vaststelling door verweerder dat geen sprake is beschermingswaardig familieleven tussen eiseres en referente omdat de gezinsband is verbroken en niet is gebleken van een meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en referente. De beoordeling door de rechtbank zal zich daarom beperken tot de vaststelling door verweerder dat de belangenafweging die in het kader van het familie- en gezinsleven tussen de kinderen, referente en [naam dochter] is verricht in het nadeel van de kinderen is uitgevallen.
7. Verweerder heeft aangenomen dat er tussen de kinderen, referente en [naam dochter] familieleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM en dat er sprake is van hechte, persoonlijke banden. De belangenafweging die verweerder heeft gemaakt ziet op enerzijds het belang van de kinderen bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven met referente en [naam dochter] in Nederland en anderzijds het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan de kinderen in Nederland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toetsing van een dergelijke belangenafweging, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485, volgt dat de rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Dit toetst de rechtbank vol. Als alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen, moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de belangenafweging getuigt van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de kinderen bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Dit laatste toetst de rechtbank enigszins terughoudend.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder – anders dan eiseres stelt – alle van betekenis zijnde relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder de omstandigheid dat eiseres en haar kinderen stateloze Palestijnen zijn niet bij de belangenafweging heeft betrokken. Dat geldt ook voor het gebrek aan hulp in Syrië en de gebrekkige humanitaire situatie. Deze aspecten heeft verweerder reeds betrokken bij de omstandigheid dat er een objectieve belemmering is om het familieleven in Syrië uit te oefenen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat deze asielgerelateerde aspecten geen invloed op de band tussen referente, [naam dochter] en de kinderen hebben en om deze reden niet bij de belangenafweging meegewogen worden. Voor zover eiseres en haar kinderen stellen dat het gebrek aan hulp aan Palestijnen en de algemene situatie in Syrië van belang zijn omdat zij daardoor financieel afhankelijk zijn van referente en de familie in Nederland, heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat zij hiervoor geen enkele onderbouwing hebben gegeven.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van referente en daarmee van de kinderen uitvalt. Verweerder heeft in hun voordeel mogen laten meewegen dat er hechte, persoonlijke banden zijn tussen referente, [naam dochter] en de kinderen, dat er een objectieve belemmering is om het familie- en gezinsleven in Syrië uit te oefenen en dat er geen openbare ordeaspecten spelen. Verweerder heeft in het nadeel mogen laten meewegen dat het niet in het belang van de kinderen is om bij referente en [naam dochter] in Nederland te verblijven. Nu de mvv-aanvraag van eiseres is afgewezen en zij hiertegen geen gronden heeft gericht, zal zij, mocht de mvv aan de kinderen wel wordt verstrekt, achterblijven in Syrië. In beginsel is het in het belang van de kinderen om bij hun biologische moeder te verblijven, omdat de kinderen onderdeel uitmaken van het kerngezin van eiseres en zij sinds het vertrek van referente in 2019 de primaire zorg voor haar kinderen heeft. Dat de kinderen wonen in een vluchtelingenkamp, stateloos zijn, rechteloos zijn en in oorlogsgebied verblijven, zoals eiseres heeft gesteld, neemt niet weg dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de band van de kinderen met hun moeder sterker is dan band die de kinderen hebben met referente en [naam dochter] .
Verder heeft verweerder het economisch belang van de Nederlandse Staat in hun nadeel mogen laten meewegen, nu referente onvoldoende middelen van bestaan heeft.
Bovendien heeft verweerder in het nadeel mogen laten meewegen dat de achterblijvende ouder geen toestemming heeft gegeven voor het vertrek van de kinderen. Niet gebleken is dat de vervangende toestemming van de lokale autoriteiten is gevraagd of zal worden verkregen.
8.3.
Voor zover eiseres aanvoert dat verweerder onvoldoende belang heeft toegekend aan de objectieve belemmering om het familieleven uit te oefenen in Syrië door dit slechts in het voordeel en niet zwaar in het voordeel mee te wegen, overweegt de rechtbank dat verweerder niet ten onrechte hierbij van belang heeft geacht dat referente, [naam dochter] en de kinderen al jaren van elkaar gescheiden zijn en zij al die tijd het contact op afstand hebben kunnen voortzetten. Hoewel de rechtbank onderschrijft dat de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven op afstand niet vergelijkbaar is met fysieke nabijheid, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM niet op afstand uitgeoefend kan worden. De stelling van eiseres dat de objectieve belemmering zwaar in het voordeel moet meewegen omdat een objectieve belemmering bij afwezigheid zwaar in het nadeel zou meewegen, is naar het oordeel van de rechtbank te algemeen van aard om te kunnen slagen. Dat geldt ook voor de stelling dat de hechte persoonlijke banden zwaar in het voordeel zouden moeten meewegen, enkel omdat het ontbreken van de hechte persoonlijke banden zwaar in het nadeel zou meewegen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom er in dit geval niet meer gewicht toekomt aan de objectieve belemmering en de hechte persoonlijke banden.
8.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.