ECLI:NL:RBDHA:2026:12973
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning privéleven
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel 'privéleven' in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 10 augustus 2022 afgewezen. Na bezwaar op 16 juli 2025 heeft de minister het besluit gehandhaafd. Verzoekster stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 11 maart 2026 in zitting, waarbij beide partijen werden vertegenwoordigd. Op dezelfde dag als de uitspraak in deze zaak deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer AWB 25/14396), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. F. Sijens en openbaar gemaakt op 21 mei 2026.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.