Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13019

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL25.45995
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen in een verlengde procedure. Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de behandeling van het beroep heeft de minister de rechtbank geïnformeerd dat eiser op 15 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een vreemdeling die bescherming in Nederland vraagt, deze niet langer wenst indien hij met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te informeren over zijn verblijfplaats. Dit geldt tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling nog wel prijs stelt op bescherming of contact onderhoudt met zijn gemachtigde. In dit geval is geen dergelijk contact of aanwijzing gebleken.

Daarom concludeert de rechtbank dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep. De stelling dat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de verblijfplaats van eiser leidt niet tot een ander oordeel, omdat het op de eiser zelf rust om kenbaar te maken dat hij nog bescherming wenst. Gevolg is dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard en de rechtbank de zaak niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45995

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: C. Stoute).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde. Daarom heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
3. De rechtbank beoordeelt eerst of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft de rechtbank namelijk op 29 april 2026 laten weten dat eiser op
15 december 2025 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken.
4. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd op 1 mei 2026 aangegeven dat zij op dit moment geen contact heeft met eiser en dat haar niet bekend is waar eiser verblijft.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens rechtspraak van de Afdeling [1] moet er in beginsel vanuit worden gegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd daarop geen prijs meer stelt als die vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te laten weten waar bij verblijft. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt over de procedure, tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. [2]
6. Gelet op deze rechtspraak en de informatie van de gemachtigde van eiser is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep. De stelling van de gemachtigde dat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke verblijfplaats van eiser leidt niet tot een ander oordeel. Het ligt immers op de weg van eiser om, na de MOB-melding, kenbaar te maken dat hij nog prijs stelt op bescherming. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan en dat hij contact heeft onderhouden met zijn gemachtigde.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Veenstra – van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en