ECLI:NL:RBDHA:2026:1307

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/2998
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 4 Richtlijn 2006/123/EGArt. 6 VOBArt. 1 VOBArt. 2 VOBArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ligplaatsvergunning rondvaartboten gemeente Den Haag wegens toepassingsbereik VOB en lex silencio positivo

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een ligplaatsvergunning voor vijf tot zes rondvaartboten op of nabij een adres in Den Haag. De exploitatievergunning werd automatisch verleend, maar de ligplaatsvergunning werd afgewezen omdat de gewenste locatie niet onder de binnenwateren van de Verordening op de binnenwateren (VOB) valt. Daarnaast is het beleid van de gemeente dat rondvaartboten geen ligplaatsvergunningen krijgen, maar civielrechtelijke stallingsplaatsen.

Eiser voerde aan dat de aanvraag ruimer moest worden opgevat en dat lex silencio positivo (stilzwijgende goedkeuring) op grond van de Dienstenrichtlijn van toepassing zou zijn. De rechtbank oordeelt dat de VOB een andere regeling vormt vanwege dwingende redenen van algemeen belang, waardoor lex silencio positivo niet geldt. De locatie valt expliciet buiten het toepassingsgebied van de VOB, wat voldoende kenbaar was.

Verder mocht de gemeente de aanvraag beperken tot de specifieke locatie, omdat eiser onvoldoende had geconcretiseerd waar hij de ligplaats wenste. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de ligplaatsvergunning op juiste gronden is gebaseerd en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de ligplaatsvergunning voor rondvaartboten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2998

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag,verweerder
(gemachtigde: mr. F. van Ommeren).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een ligplaatsvergunning.
1.1
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor ligplaatsen voor rondvaartboten op of nabij het adres [adres] te Den Haag , ontvangen door verweerder op 24 juli 2024.
1.2
Bij besluit van 4 december 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en tevens een bestuurlijke dwangsom van €1.442,- aan eiser uitgekeerd.
1.3
Met het bestreden besluit van 14 april 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De afwijzing van de aanvraag en de toegekende dwangsom zijn gehandhaafd.
1.4
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5
Verweerder heeft met een verweerschrift gereageerd op de beroepsgronden.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser wil met vijf of zes rondvaartboten op bedrijfsmatige basis rondvaarten door de Haagse grachten organiseren. Eiser heeft op 24 juli 2024 hiervoor zowel een exploitatievergunning als een ligplaatsvergunning aangevraagd bij verweerder op grond van de geldende Verordening op de binnenwateren (VOB) voor de gemeente Den Haag.
2.1
Bij besluit van 9 oktober 2024 heeft verweerder bekendgemaakt dat de exploitatievergunning, als bedoeld in artikel 17 van Pro de VOB, voor de activiteit ‘het laten varen van vijf rondvaartboten in de Haagse binnenwateren’ van rechtswege is verleend, voor de duur van vijf jaar, met ingang van 19 september 2024.
2.2
Met het primaire besluit van 4 december 2024 heeft verweerder de aanvraag voor een ligplaatsvergunning voor deze rondvaartboten afgewezen. Redengevend daarvoor is ten eerste dat de door eiser gewenste ligplaats op het adres [adres] , gelegen aan de [haven 1] , niet valt onder het toepassingsbereik van de VOB. In artikel 2 van Pro de VOB staat namelijk dat de [haven 1] niet valt onder de binnenwateren als bedoeld in artikel 1 van Pro de VOB. Reeds daarom kan een ligplaatsvergunning voor deze locatie niet worden verleend. De stilzwijgende goedkeuring (lex silencio positivo) die in artikel 6 VOB Pro is geformuleerd is niet van toepassing, omdat het geval van eiser buiten de toepassing van de VOB valt. Bovendien komt een rondvaartboot, volgens het beleid van verweerder, niet in aanmerking voor een ligplaatsvergunning. Omdat verweerder, ondanks twee ingebrekestellingen van eiser, te laat op de aanvraag heeft beslist, is op grond van artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bestuurlijke dwangsom van €1.442,- aan eiser uitgekeerd.
2.3
Na een hoorzitting en advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Acb) zijn deze conclusies door verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser zijn wens om een ligplaats ‘nabij’ de [haven 1] , zoals op [straatnaam 1] of elders in het centrum van Den Haag, niet voldoende gespecificeerd heeft bij de aanvraag. Bovendien heeft eiser zijn aanvraag voor een ligplaatsvergunning niet middels het juiste formulier ingediend, maar met een enkel kort zinnetje toegevoegd in de aanvraag voor de exploitatievergunning. Van een aanvraag mag verwacht worden dat deze ondubbelzinnig en expliciet is in zijn formulering over het verzochte besluit. Verweerder heeft gelet hierop geen aanleiding hoeven zien om verlening van een ligplaatsvergunning voor een andere locatie te onderzoeken. Daarbij zijn rondvaartboten uitgezonderd op het beleid voor ligplaatsvergunningen. Voor rondvaartboten worden geen ligplaatsvergunningen verleend, maar worden op basis van civielrechtelijke overeenkomsten met de gemeente stallings- en overnachtingsplaatsen aangeboden in o.a. de [haven 2] . De discussie of een rondvaartboot nu onder de definitie van ‘bedrijfsschip’ of ‘recreatieschip’ valt als bedoeld in artikel 1 van Pro de VOB doet daarom verder ook niet ter zake. Bovendien zijn er op dit moment überhaupt geen ligplaatsvergunningen te verlenen.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Ten eerste heeft verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte niet ruimer opgevat dan alleen de locatie [adres] . Eiser is duidelijk geweest in zijn wens om ergens anders in Den Haag, bijvoorbeeld op [straatnaam 1] , zijn rondvaartboten neer te leggen. Eiser voert daarbij ook aan dat hij graag wenst te concurreren met het andere bedrijf dat rondvaartboten exploiteert in Den Haag. Eiser stelt dat de regelgeving onduidelijk is over de vraag of een rondvaartboot nu onder de definitie van ‘bedrijfsschip’, ‘passagiersschip’ of ‘recreatieschip’ valt en dat zodoende niet kenbaar is of eiser wel verplicht is een ligplaatsvergunning aan te vragen. Dat verweerder een apart beleid voert voor rondvaartboten is voor hem en anderen niet kenbaar. Tot slot voert eiser aan dat deze vergunningsaanvraag onder de Dienstenrichtlijn [1] valt en dat, naast artikel 6 van Pro de VOB, ook op grond daarvan lex silencio positivo geldt in dit geval. Eiser stelt dat door het verstrijken van de beslistermijn van acht weken de ligplaatsvergunning dus van rechtswege is ontstaan en zodoende fictief positief is beschikt op zijn aanvraag.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Lex silencio positivo
6. In overeenstemming met de standpunten van partijen oordeelt de rechtbank ten eerste dat het verlenen van ligplaatsvergunningen voor rondvaartboten onder het toepassingsbereik van de Dienstenrichtlijn valt. Dit is in zoverre ook niet in geschil. Partijen twisten in beroep over de vraag of ‘de wet van de stilzwijgende goedkeuring’, ook wel
lex silencio positivogenaamd, die voortvloeit uit artikel 13 van Pro de Dienstenrichtlijn, en die ook specifiek vastgelegd is artikel 6 van Pro de VOB, in dit geval ook van toepassing is op de aanvraag van eiser. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.
6.1
Uit de tekst van artikel 13, vierde lid van de Dienstenrichtlijn en jurisprudentie [2] van de hoogste bestuursrechter volgt dat de Uniewetgever, omwille van tijdige rechtszekerheid over het kunnen verlenen van diensten, een stelsel van
lex silencio positivovoorschrijft, maar dat de lidstaten dit stelsel kunnen begrenzen vanwege dwingende redenen van algemeen belang, waaronder het rechtmatig belang van derden. Indien dat gewenst wordt, zo begrijpt de rechtbank, kunnen de nationale of lokale autoriteiten daarvoor regels vastleggen in algemeen verbindende voorschriften.
6.2
Uit artikel 1 van Pro de VOB, eerste volzin, blijkt expliciet en ondubbelzinnig dat de [haven 1] niet als binnenwater wordt aangemerkt. De gemeentelijke wetgever, zo blijkt ook uit artikel 2 van Pro de VOB, heeft expliciet de bedoeling gehad om de VOB enkel op de binnenwateren van toepassing te laten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank was hiermee op voorhand duidelijk dat de [haven 1] , alwaar eiser primair een ligplaats voor zijn rondvaartboten wilde verkrijgen, niet onder de werkingssfeer van de VOB valt en dat voor die locatie dus geen ligplaatsvergunningen onder de VOB kunnen worden verleend. De rechtbank is van oordeel dat deze regel over de toepasselijkheid van de VOB voor de [haven 1] voldoende kenbaar, concreet en expliciet was op het moment van de aanvraag, ook voor niet juridisch onderlegde professionals zoals eiser. Uit de artikelsgewijze toelichting op de VOB en het betoog van verweerder op zitting begrijpt de rechtbank dat het uitzonderen van de [haven 1] op de binnenwateren onder de VOB de expliciete bedoeling van de gemeentelijke wetgever is geweest, omdat voor die locatie een ander beleid voor regulering van diensten en ligplaatsen wenselijk werd geacht.
6.3
Alles bij elkaar gezien is de rechtbank van oordeel dat uit de regeling van de VOB voldoende duidelijk voortvloeit dat de gemeentelijke wetgever de [haven 1] , voor verlening van ligplaatsvergunningen heeft willen uitzonderen, vanwege dwingende redenen van algemeen belang, o.a. de rechtmatige belangen van derden. In lijn met jurisprudentie [3] van de Afdeling is de rechtbank dan ook van oordeel dat de VOB een ‘andere regeling’ betreft in de zin van artikel 13, vierde lid van de Dienstenrichtlijn die het stelsel van lex silencio positivo ten aanzien van de [haven 1] heeft beoogd te begrenzen. Van een van rechtswege verlenen van een ligplaatsvergunning op het adres [adres] , zoals gewenst door eiser, is in dit geval dan ook geen sprake.
Beperken van de aanvraag tot locatie [adres]
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser voor een ligplaatsvergunning heeft mogen beperken tot enkel het adres [adres] , althans de [haven 1] .
7.1
In de aanvraag voor de exploitatievergunning heeft eiser tevens aangegeven dat hij een ligplaatsvergunning wenst ‘op of nabij het adres [adres] ’. Verweerder heeft dit verzoek opgevat als een aanvraag voor een ligplaatsvergunning en de rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser mocht tegenwerpen dat eiser deze wens onvoldoende heeft gespecificeerd en dat verweerder dus niet gehouden was om nog meer andere mogelijke locaties in de omgeving van de [straatnaam 2] in de beoordeling te betrekken. Van eiser als professioneel optredende partij in de rondvaartbotenbranche mocht hier meer concretisering verwacht worden over de gewenste locatie ‘nabij’ [adres] . Nu die nadere concretisering in de aanvraag ontbrak, dient het voor eigen rekening en risico van eiser te komen dat hier in het primaire besluit niet is op beslist.
7.2
Ook in het bestreden besluit heeft verweerder zich - met verwijzing naar het advies van de Acb - op goede gronden op het standpunt gesteld dat er met de aanvullingen van eiser in bezwaar ook geen reden bestaat om alsnog tot verlening voor een ligplaats op een andere door eiser gewenste locatie in Den Haag over te gaan. De andere gewenste ligplaats op [straatnaam 1] valt op grond van artikel 1 van Pro de VOB namelijk ook buiten het bereik van de VOB en daarbij zijn er op alle andere plekken in het centrum van Den Haag die eiser wenst momenteel geen ligplaatsen beschikbaar, of de boten van eiser nu onder de definitie van ‘bedrijfsschip’, ‘passagiersschip’ of ‘recreatieschip’ vallen. Een rechterlijk oordeel over deze vraag kan eiser dan ook niet baten. Bovendien is het überhaupt ook maar de vraag of de rondvaartboten van eiser feitelijk in de mogelijkheid zijn om deze locaties te bereiken, gelet op de vele lage bruggen en de beperkte doorvaarmogelijkheden voor dat type schepen.
7.3
Alles bij elkaar in samenhang bezien heeft verweerder zich, na het maken van een volledige heroverweging in bezwaar, op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiser niet voor inwilliging in aanmerking komt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op juridisch juiste gronden een ligplaatsvergunning voor rondvaartboten aan eiser geweigerd heeft.
9. Voor een proceskostenveroordeling of terugbetaling van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2910.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2910, in het bijzonder rechtsoverweging 3.3.