ECLI:NL:RVS:2021:2910
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- P.H.A. Knol
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing exploitatievergunning passagiersvaart wegens onjuiste rechtsgrondslag
Appellante diende op 8 november 2016 een aanvraag in voor een exploitatievergunning voor passagiersvervoer met een bedrijfsvaartuig. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af op 12 februari 2018 vanwege een vergunningstop. Na handhaving van deze afwijzing en een vernietiging door de rechtbank, nam het college op 22 januari 2019 een nieuw besluit waarbij het de afwijzing handhaafde op basis van de Regeling uitgifteronde 2022, die voorschrijft dat alleen aanvragen binnen maart 2020 in behandeling worden genomen.
Appellante stelde dat het college onterecht de Regeling 2022 toepaste en dat de aanvraag had moeten worden beoordeeld op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) die gold ten tijde van haar aanvraag. Tevens betoogde zij dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU gesteld moesten worden over de Dienstenrichtlijn. De Afdeling oordeelde dat de Regeling 2022 niet verenigbaar is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming wanneer deze wordt toegepast op aanvragen die vóór de vergunningstop zijn ingediend.
De Afdeling stelde vast dat het college had moeten toetsen aan de Vob en dat de lex silencio positivo niet van toepassing is op exploitatievergunningen vanwege dwingende redenen van algemeen belang zoals veiligheid en milieu. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen het bezwaar opnieuw te behandelen volgens de juiste rechtsgrondslag. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het college om de exploitatievergunning af te wijzen wordt vernietigd en het bezwaar moet opnieuw worden beoordeeld volgens de regels die golden ten tijde van de aanvraag.