ECLI:NL:RBDHA:2026:13109
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroepen tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft op 12 mei 2026 de beroepen van eisers behandeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen en dit land het verzoek tot overname heeft aanvaard.
Eisers voerden onder meer aan dat eiseres ernstige medische klachten heeft, waaronder psychoses en gynaecologische problemen, en dat de minister onterecht geen medisch advies heeft ingewonnen. De rechtbank oordeelde dat de medische stukken onvoldoende aantonen dat overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheid zou leiden en dat de medische voorzieningen in Frankrijk als voldoende worden geacht.
Daarnaast stelden eisers dat op grond van artikel 16 van Pro de Dublinverordening sprake is van een uitzonderlijk hechte en afhankelijke band tussen eiseres en haar broer die in Nederland verblijft. De rechtbank verwierp dit omdat er geen bewijs is van de vereiste afhankelijkheid en de broer nog geen legaal verblijfsrecht heeft.
Ten slotte voerden eisers aan dat de minister artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening had moeten toepassen vanwege bijzondere omstandigheden, zoals de economische binding van eiser met Nederland. De rechtbank oordeelde dat economische belangen geen bijzondere omstandigheden vormen die een uitzondering rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en liet het besluit van de minister in stand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt het besluit van de minister om de asielaanvragen niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is.