ECLI:NL:RBDHA:2026:1313

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1686
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a VwArt. 50, tweede lid, VwArt. 50, derde lid, VwArt. 5, vijfde lid, EVRMArt. 94, zesde lid, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring wegens verblijf in politiecel en vooringenomenheid afgewezen

Eiser, met de Poolse nationaliteit, werd op 11 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadeloosstelling vanwege een overschrijding van de toegestane 24-uurstermijn in de politiecel.

De rechtbank constateerde een discrepantie in de grondslag van ophouding in de processtukken, maar oordeelde dat dit een slordigheid betrof en dat de juiste grondslag was toegepast. De maatregel van bewaring werd niet onrechtmatig bevonden, mede omdat eiser niet concreet had toegelicht hoe hij in zijn belangen was geschaad.

Eiser voerde aan dat er sprake was van vooringenomenheid vanwege een piketmelding die de voorgenomen bewaring aankondigde. De rechtbank verwierp dit, stellende dat de melding bedoeld was voor de Raad voor Rechtsbijstand en niet door dezelfde ambtenaar was opgesteld die de maatregel oplegde.

De rechtbank stelde vast dat eiser langer dan 24 uur in de politiecel verbleef, wat een onrechtmatige tenuitvoerlegging van de maatregel betekende. Voor deze overschrijding kende de rechtbank een schadeloosstelling van €40 toe. De overige gronden voor de bewaring werden als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beoordeeld, en het beroep werd ongegrond verklaard.

Tot slot veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard, met een schadeloosstelling van €40 voor de overschrijding van de verblijfsduur in de politiecel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1686

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 en de Poolse nationaliteit te hebben.
Grondslag van de ophouding
2. Eiser voert aan dat hij op twee verschillende grondslagen is opgehouden. Zo volgt uit de M105b [1] dat eiser is staande gehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Uit de M105a [2] volgt dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en bleek dat eiser geen rechtmatig verblijf had. Dit is een gebrek in het voortraject, wat ertoe moet leiden dat er een belangenafweging plaatsvindt die in het voordeel van eiser moet uitvallen. [3]
3. Verweerder heeft ter zitting de discrepantie in de M105b en M105a erkend en stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de grondslag van de ophouding sprake is van een verschrijving die als slordigheid dient te worden aangemerkt en niet als een gebrek in het voortraject. De grondslag zoals genoemd in de M105b betreft de eerstgenoemde en de juiste grondslag.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser op de juiste grondslag staande gehouden en heeft verweerder in de M105b de juiste grondslag vermeld, namelijk artikel 50, tweede lid, van de Vw. Eiser voert terecht dat de M105a aangekruiste grondslag onjuist is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Een gebrek in het voortraject maakt de bewaring echter pas onrechtmatig als daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. De te maken belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. Uit de overige onderdelen van de M105a blijkt immers wel voldoende dat eisers identiteit en nationaliteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Dit volgt uit de verschillende – in de M105a opgenomen – onderzoekshandelingen die zijn verricht ten behoeve van de vaststelling van eisers identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. De rechtbank wijst verder op wat hierna wordt overwogen over de gronden van de maatregel en het daaruit voortvloeiende onttrekkingsrisico en het lichter middel. Verder is van belang dat eiser niet concreet heeft toegelicht op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad. De maatregel van bewaring is dus niet onrechtmatig.
Vooringenomenheid
5. Eiser voert aan dat in de melding vreemdelingenpiket van 10 januari 2026 al is aangekondigd dat hij ter uitzetting in bewaring wordt gesteld. Hiermee is sprake van vooringenomenheid, terwijl elke procedure individueel moet worden getoetst.
6. Verweerder stelt in dit kader dat sprake is geweest van het voornemen tot inbewaringstelling. In de M110 – voor aanvang van het gehoor – is door de ambtenaar aangegeven dat hij voornemens is om aan eiser een maatregel van bewaring op te leggen. Aan eiser is vervolgens duidelijk de ruimte geboden om zijn zienswijze daarop kenbaar te maken. De piketmelding waar door eiser naar wordt verwezen is door een ander persoon opgesteld dan de ambtenaar die het gehoor met eiser heeft afgenomen of de maatregel heeft opgelegd. Hieruit kan geen vooringenomenheid worden afgeleid.
7. De rechtbank ziet in de piketmelding van de AVIM met daarin de formulering “
Betrokkene wordt ter uitzetting in bewaring gesteld” geen grond voor het oordeel dat al vóór het gehoor vaststond dat aan eiser de maatregel van bewaring zou worden opgelegd en dat er bij verweerder sprake is geweest van vooringenomenheid. De piketmelding is naar het oordeel van de rechtbank bedoeld om aan de Raad voor Rechtsbijstand kenbaar te maken in welke soort procedure de vreemdeling aanspraak kan maken op rechtsbijstand. Bovendien is de melding niet door dezelfde persoon gedaan als de persoon die de maatregel van de bewaring heeft opgelegd. In het licht van het voorgaande valt uit de gehanteerde bewoordingen in de piketmelding niet zonder meer af te leiden dat oplegging van de maatregel reeds bij voorbaat vaststond. De rechtbank ziet ook verder geen aanknopingspunten in het dossier voor vooringenomenheid.

Verblijf in politiecel

8. Eiser voert aan dat hij langer dan de toegestane 24-uurstermijn in de politiecel heeft verbleven. Dit vereist directe opheffing van de maatregel, dan wel een belangenafweging die in het voordeel van eiser dient uit te vallen.
9. Verweerder erkent ter zitting dat eiser langer dan 24 uur in de politiecel heeft verbleven, maar stelt zich op het standpunt dat dit een dermate korte overschrijding van de toegestane tijd betreft, dat de belangenafweging in het voordeel van verweerder moet uitvallen.
10. De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 11 januari 2026 om 11:22 uur de maatregel van bewaring opgelegd. Uit het door verweerder opgestelde formulier externe bijzonderheden volgt dat eiser op 12 januari 2026 om 12:40 uur de politiecel heeft verlaten en door DV&O [4] is overgebracht naar het detentiecentrum in Rotterdam. Dit is niet binnen de vereiste 24 uur en leidt derhalve tot een onrechtmatige aanvankelijke tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 27 januari 2025 [5] heeft geoordeeld. Eiser heeft daarom recht op een schadeloosstelling. [6] De rechtbank overweegt daarbij dat de overschrijding niet betekent dat de maatregel zelf onrechtmatig is, maar enkel dat de wijze van tenuitvoerlegging aanvankelijk onrechtmatig was. Omdat sprake is van een overschrijding van de maximale verblijfsduur met bijna een uur, stelt de rechtbank de schadeloosstelling, naar de norm van € 40 per dag of gedeelte van een dag, vast op € 40. [7]
Maatregel van bewaring
11. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Als zware gronden [8] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
-
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;-
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [9] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
-
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;-
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een risico op onttrekking daarmee is gegeven.

Lichter middel

13. Eiser verzoekt de rechtbank om te oordelen dat kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft eerder verklaard klaar te zijn met het leven en er kan niet worden uitgesloten dat hij het in detentie niet goed heeft.
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Zo heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser al twaalf keer is uitgezet naar Polen en steeds na korte tijd weer terugkeert naar Nederland. Verweerder heeft in zijn motivering in maatregel van bewaring ook rekening gehouden met eisers medische problematiek. In dit kader heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser zelf verklaart geen medische en psychische klachten te hebben. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiser, indien nodig, ook in het detentiecentrum toegang heeft tot eventuele noodzakelijke medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Voorts heeft verweerder in de maatregel voldoende gemotiveerd dat in het geval van eiser niet is gebleken van detentieongeschiktheid.
15. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is.
Conclusie
16. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor het nadeel dat eiser heeft geleden door zijn te lange verblijf in de politiecel, heeft hij aanspraak op € 40 aan schadeloosstelling.
16. De rechtbank ziet gelet op genoemde gebreken aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder om aan eiser bij wijze van schadeloosstelling € 40 te betalen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Het proces-verbaal van staandehouding.
2.Het proces-verbaal van ophouding en onderzoek.
3.Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:25435 en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134 en van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4662
4.Dienst Vervoer en Ondersteuning.
5.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2025:219.
6.Als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het EVRM in samenhang gelezen met artikel 94, zesde lid, van de Vw.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
8.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
9.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.