Eiser, een Turkse Koerdische asielzoeker, diende een opvolgende asielaanvraag in na een eerdere afwijzing en een terugkeerbesluit met inreisverbod. Hij baseerde zijn vrees op een aanhoudingsbevel wegens belediging van president Erdogan en mogelijke vervolging vanwege zijn politieke overtuiging en uitingen op sociale media.
De minister stelde dat het aanhoudingsbevel een commun delict betreft en dat eiser geen gegronde vrees voor disproportionele of discriminatoire vervolging heeft aangetoond. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij na terugkeer in Turkije zal worden vastgehouden of vervolgd op grond van zijn politieke overtuiging.
De rechtbank nam daarbij mee dat het aanhoudingsbevel voorziet in vrijlating na verhoor, dat de politieke overtuiging van eiser niet van zodanig niveau is dat vervolging te vrezen is, en dat de overgelegde landeninformatie en jurisprudentie geen aanleiding geven tot een ander oordeel.
De rechtbank concludeerde dat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.