Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13169

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/09/689559 / HA ZA 25-684
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 3:172 BWArt. 3:185 BWArt. 3:169 BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermogensrechtelijke afwikkeling na beëindiging informele samenwoning en verdeling gezamenlijke woning

Partijen, voormalige informele samenwoners, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning en hebben een geschil over de verdeling na het beëindigen van hun relatie. De vrouw verliet de woning in september 2024. De man wil de woning overnemen en heeft vorderingen tot vergoeding van betaalde hypotheeklasten en investeringen ingediend. De vrouw vordert onder meer een gebruiksvergoeding en ontruiming van de woning.

De rechtbank bepaalt dat de woning na taxatie aan de man wordt toegedeeld, mits hij binnen drie maanden aantoont dat hij de financiering kan regelen en de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Indien dit niet lukt, wordt de woning verkocht aan een derde. De vrouw heeft recht op de helft van de overwaarde, verminderd met de helft van de hypotheekaflossingen die de man vanaf september 2024 heeft betaald. De man draagt tot overdracht alle woonlasten en hoeft geen gebruiksvergoeding aan de vrouw te betalen.

De rechtbank wijst de vorderingen van de vrouw tot gebruiksvergoeding en ontruiming af en oordeelt dat de man geen vergoedingsrecht heeft voor investeringen in de woning wegens het ontbreken van afspraken. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De woning wordt aan de man toegedeeld onder opschortende voorwaarde van financiering, met verrekening van hypotheekaflossingen en afwijzing van gebruiksvergoeding aan de vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/689559 / HA ZA 25-684
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. M.P.V. den Engelsman,
tegen
[de man]te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna: de man,
advocaat: mr. T. Kocabas.

1.Samenvatting

1.1.
Partijen zijn ex-samenwoners en hebben een geschil over de afrekening bij de verdeling van hun gemeenschappelijke woning. De rechtbank beslist als volgt. De woning zal na taxatie worden toebedeeld aan de man, als hij binnen drie maanden na taxatie aantoont dat hij de overname van woning en hypotheek, inclusief uitkoop van de vrouw, kan financieren. Als de man de woning niet kan financieren, moeten beide partijen meewerken aan de verkoop door een makelaar aan een derde. De vrouw heeft recht op de helft van de overwaarde. De man mag op haar aandeel in de overwaarde de helft van de hypotheekaflossingen vanaf 1 september 2024 tot overdracht aan hem of een derde aftrekken. De man betaalt tot de overdracht alle woonlasten. Hij hoeft de vrouw daarnaast geen gebruiksvergoeding te betalen. De vrouw moet de camera aan de man afgeven. Alle andere vorderingen worden over en weer afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 29 juli 2024, met producties 1 tot en met 11;
  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met productie 12;
  • het tussenvonnis van 24 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
  • de nadere stukken van de man van 6 februari 2026 en 27 februari 2026;
  • de nadere stukken van de vrouw van 2 maart 2026.
2.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
2.3.
Ten slotte is de datum voor het wijzen van dit vonnis bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
3.2.
Partijen zijn sinds 29 december 2022 gezamenlijk eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Voor de financiering van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening bij Florius afgesloten.
3.3.
De vrouw heeft de woning per september 2024 verlaten.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De vrouw vordert - samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat aan de vrouw vervangende toestemming op grond van artikel 3:300 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wordt verleend om de woning te laten taxeren, te verkopen en te leveren aan een derde zonder tussenkomst van de man;
te bepalen dat de man binnen vier weken na betekening van het vonnis de woning moet verlaten, met medeneming van zijn spullen, onder oplegging van een dwangsom;
te bepalen dat, als de man geen gevolg geeft aan het onder 2 gevorderde, de vrouw gerechtigd is hem te laten verwijderen met behulp van de sterke arm, waarbij de kosten voor rekening van de man komen;
te bepalen dat de vrouw de kosten die zij moet maken om de man via een deurwaarder te verwijderen kan verhalen op de man;
te verklaren voor recht dat de man aansprakelijk is voor de door de vrouw geleden en nog te lijden schade als gevolg van de onrechtmatige instandhouding van de gemeenschap;
de man te veroordelen tot betaling van de materiële schade van de vrouw van
€ 6.787,50, te vermeerderen met wettelijke rente;
7. te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2024 een gebruiksvergoeding aan de vrouw betaalt van € 490 per maand totdat partijen de woning hebben verkocht dan wel de man (het aandeel van de vrouw in) de woning heeft overgenomen;
8. de man te veroordelen in de (werkelijke) proceskosten (tot en met het opstellen van de dagvaarding begroot op een bedrag van € 2.093,20) en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2.
De man voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
De man vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de woning (met de daarbij behorende hypotheek) toe te delen aan de man, onder de voorwaarde dat de bank de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, en de vrouw te veroordelen tot medewerking aan taxatie en overdracht van de woning, met bepaling dat, als de vrouw haar medewerking weigert, aan de man vervangende toestemming wordt verleend en hij wordt benoemd als dwangvertegenwoordiger van de vrouw;
voor het geval toedeling van de woning aan de man niet mogelijk blijkt: te bepalen dat de woning wordt verkocht aan een derde, onder begeleiding van een door partijen gezamenlijk te benoemen (althans een door de rechtbank aan te wijzen) makelaar;
te bepalen dat, alvorens tot verdeling van de overwaarde van de woning wordt overgegaan, het door de man in de woning geïnvesteerde bedrag van € 19.236,14 eerst in mindering dient te worden gebracht op de (daarna gezamenlijk te delen) overwaarde, dan wel de vrouw te veroordelen tot voldoening aan de man van de helft van dit bedrag (oftewel € 9.618,07);
e vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen:
  • een bedrag van € 13.266,60 ter zake van (de helft van) de door de man betaalde hypotheeklasten over de periode dat partijen in de woning hebben samengewoond;
  • een bedrag van € 9.286,62 ter zake van (de helft van) de door de man betaalde hypotheeklasten over de periode na het feitelijk uiteengaan van partijen tot en met september 2025;
de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen:
  • een bedrag van € 1.000 ter zake van (de helft van) de door de man betaalde VvE-bijdragen over de periode dat partijen hebben samengewoond in de woning;
  • een bedrag van € 700 ter zake van (de helft van) de door de man betaalde VvE-bijdragen over de periode na het feitelijk uiteengaan van partijen tot en met september 2025;
de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen de helft van de door de man sinds de aankoop van de woning tot aan haar vertrek uit de woning betaalde kosten voor nutsvoorzieningen ten bedrage van € 2.355,40;
de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen de helft van de door de man betaalde gemeentelijke belastingen over het jaar 2025 ten bedrage van € 485,34;
te bepalen dat de vrouw gehouden is om, (de rechtbank begrijpt: vanaf oktober 2025) totdat de woning is toegedeeld aan de man dan wel is verkocht en geleverd aan een derde, maandelijks de helft van de aflossing op de hypotheek en de VvE-bijdrage te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente;
de vrouw te veroordelen tot afgifte van de fotocamera aan de man dan wel tot betaling aan de man van € 2.068, te vermeerderen met wettelijke rente;
de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
4.5.
De vrouw voert verweer.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie en in reconventie
5.1.
De vorderingen van partijen hebben betrekking op de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun affectieve relatie. De vorderingen in conventie (van de vrouw) en de vorderingen in reconventie (van de man) worden daarom gezamenlijk beoordeeld.
Verdeling van de gezamenlijke woning.
5.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar (voor gelijke delen) van de woning. Niet in geschil is dat wat betreft deze woning sprake is van een eenvoudige gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW Pro. De wet bepaalt dat niemand ongewild in een gemeenschap hoeft te blijven. Partijen zijn het er ook over eens dat de woning moet worden verdeeld.
5.3.
De man wil de woning graag overnemen, waarbij hij onderbouwd heeft gesteld dat dit (naar verwachting) financieel ook mogelijk is. Nu de vrouw hiermee ter zitting heeft ingestemd, zal de rechtbank de man de gelegenheid geven om te bezien of hij financieel in staat is om de woning over te nemen en de woning aan hem toedelen onder de opschortende voorwaarde dat hij binnen na te melden termijn aantoont dat hij in staat is (i) de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en (ii) de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld.
5.4.
Voor de vraag of de man in staat is de woning over te nemen, is onder meer van belang van welke waarde moet worden uitgegaan. Over de waarde van de woning zijn partijen het niet eens geworden. De woning moet daarom worden getaxeerd. Op de zitting heeft de man ingestemd met inschakeling van één van de door de vrouw voorgestelde makelaars ( [makelaar 1] B.V. of [makelaar 2] B.V.). De rechtbank zal bepalen dat partijen [makelaar 1] B.V. te [plaats] zullen inschakelen als onafhankelijk makelaar om de actuele waarde van de woning vast te stellen.
5.5.
Aan de hand van de taxatiewaarde kan de man uitzoeken of overname van de woning voor hem mogelijk is. Als de man de benodigde financiering niet kan krijgen, zal de woning moeten worden verkocht aan een derde. In dat geval moet wat betreft de waarde van de woning van de verkoopwaarde worden uitgegaan. De rechtbank zal bepalen dat genoemde makelaar de nodige werkzaamheden voor de taxatie en eventuele (overige) verkoopwerkzaamheden zal uitvoeren. Partijen moeten daaraan meewerken. Partijen moeten ieder de helft van de kosten voor de taxatie betalen. Ditzelfde geldt ook voor alle verkoopkosten bij een eventuele verkoop van de woning aan een derde. Indien de man de woning koopt, dienen de overdrachtskosten voor zijn rekening te komen. In het dictum zal de rechtbank de wijze van verdeling van de woning gelasten, waarbij de precieze voorwaarden voor de verdeling van de woning uiteen zullen worden gezet.
5.6.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor toewijzing van de vorderingen op grond van artikel 3:300 BW Pro. Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verdeeld en de vrouw heeft ter zitting ook ingestemd met een toedeling van de woning aan de man (als dat financieel haalbaar is). De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in gezamenlijk overleg en op constructieve wijze aan de verdeling zullen meewerken. De vorderingen die in dit verband door beide partijen zijn ingesteld worden dan ook afgewezen. Ook de vordering van de vrouw tot ontruiming van de woning door de man (met behulp van de sterke arm) zal worden afgewezen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de man, bij een verkoop van de woning aan een derde, de levering zal frustreren door de woning niet tijdig te verlaten.
5.7.
De door de vrouw gevorderde verklaring voor recht dat de man aansprakelijk is voor de schade van de vrouw als gevolg van ‘de onrechtmatige instandhouding van de gemeenschap’ en de in dit verband gevorderde schadevergoeding worden eveneens afgewezen. Dat de man hardnekkig en onrechtmatig de verdeling van de woning zou hebben tegengewerkt waardoor de vrouw schade zou hebben geleden, heeft de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd.
In welke mate zijn partijen gerechtigd tot de overwaarde?
5.8.
In beginsel hebben beide partijen recht op de helft van de overwaarde van de woning. De man is van mening dat hij aanspraak kan maken op vergoedingsrechten die met de overwaarde moeten worden verrekend (waarbij uiteindelijk de helft van de gevorderde bedragen worden gedragen door de vrouw).
Vergoedingsrecht in verband met investeringen?
5.9.
De man stelt in de eerste plaats dat hij een bedrag van € 19.236,14 heeft geïnvesteerd in de woning, nu hij dit bedrag uit eigen middelen heeft besteed aan de verbouwing en renovatie van de woning. Zonder deze inspanningen en investeringen zou de woning volgens hem aanzienlijk minder waard zijn geweest. De man wenst verrekening van het hiervoor genoemde bedrag met de overwaarde op grond van een tussen partijen gemaakte afspraak, althans op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
5.10.
De vrouw stelt dat het opknappen van de woning een gezamenlijke inspanning van partijen is geweest, waaraan ook zij heeft bijgedragen (onder meer omdat zij de zorg voor het huishouden op zich nam). Zij wijst erop dat partijen geen (mondelinge of schriftelijke) afspraken hebben gemaakt over vergoeding van de door de man betaalde verbouwingskosten. Evenmin is volgens de vrouw een grondslag aanwezig voor een vergoeding aan de man op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
5.11.
De rechtbank stelt voorop dat partijen niet met elkaar getrouwd waren en ook geen geregistreerd partnerschap of een samenlevingsovereenkomst hadden. Zij waren gedurende de relatie dus ‘informeel samenwonenden’. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1571) volgt dat een eenvoudige gemeenschap geen grondslag kan vormen voor een vergoedingsrecht voor ongelijke bijdragen aan de financiering van een gemeenschappelijk goed. Ook uit artikel 3:172 BW Pro volgt geen vergoedingsrecht, indien één partij aan de financiering van de aankoop van een gemeenschappelijk goed meer heeft bijgedragen dan de andere partij.
5.12.
Uit het arrest van 10 mei 2019 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:707) volgt dat de vraag of een vorderingsrecht bestaat wegens een grotere bijdrage bij de aankoop van de woning beoordeeld moet worden aan de hand van het algemene verbintenissenrecht. Dit houdt in dat onderzocht moet worden of tussen partijen een overeenkomst bestaat die, mede op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW Pro), (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt (artikel 6:213 BW Pro). Dat is het geval als partijen over de vraag voor wiens rekening de kosten van hun samenleving of van specifieke uitgaven moeten komen, een schriftelijke samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan, of uitdrukkelijk dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Daarnaast zou volgens de Hoge Raad een vordering van de ene partij op de andere partij gegrond kunnen zijn op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro). Als op grond van het voorgaande voor bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de een jegens de ander kan worden aangenomen, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval ook nog voortvloeien uit de in art. 6:2 lid 1 BW Pro bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid.
5.13.
Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de man van een vergoedingsrecht voor zijn investeringen in de woning moet worden afgewezen. De rechtbank overweegt dat de door de man gestelde afspraak dat de vrouw de helft van deze investeringen (uiteindelijk) zou dragen, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet is komen vast te staan. Partijen hebben deze afspraak niet schriftelijk vastgelegd en een mondelinge afspraak dat de vrouw zou bijdragen aan zijn investeringen heeft de man onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft er onweersproken op gewezen dat de man voorafgaand aan deze procedure nooit aanspraak op een vergoeding van deze kosten heeft gemaakt. Van de door de man gestelde afspraak kan daarom niet worden uitgegaan. Ook het beroep op ongerechtvaardigde verrijking heeft de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet onderbouwd.
Vergoedingsrecht in verband met woonlasten?
5.14.
De man heeft verder een vergoeding gevorderd in verband met door hem betaalde woonlasten (hypotheeklasten, VvE-bijdragen, nutsvoorzieningen en KPN-kosten). Deze vergoeding ziet deels op de periode tijdens de samenwoning en deels (wat betreft de hypotheeklasten en de VvE-bijdragen) ook op de periode daarna. In totaal heeft de man, zo stelt hij, aan deze posten een bedrag van € 53.975,96 voldaan. Dit totaalbedrag dient volgens de man (primair) te worden verrekend met de overwaarde van de woning. Als grondslagen heeft de man zich beroepen op artikel 1:100 BW Pro, artikel 3:172 BW Pro en de redelijkheid en billijkheid.
5.15.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:100 BW Pro in de situatie van partijen niet analoog kan worden toegepast. Dat artikel gaat over de draagplicht (bij helfte) van echtgenoten voor gemeenschapsschulden in geval van een wettelijke gemeenschap van goederen. Partijen zijn echter niet met elkaar gehuwd geweest. De woning valt in een eenvoudige gemeenschap waarvoor artikel 1:100 BW Pro niet geldt. Voor een eenvoudige gemeenschap bepaalt artikel 3:172 BW Pro dat, tenzij een regeling anders bepaalt, de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen delen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en in dezelfde evenredigheid moeten bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.
5.16.
Op grond van artikel 3:172 BW Pro moeten partijen dus ieder de helft van de lasten van de woning dragen, tenzij zij een andere afspraak hebben gemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen tijdens de samenwoning een van genoemde hoofdregel afwijkende afspraak hebben gemaakt. De vrouw heeft namelijk, onderbouwd met productie 6 bij dagvaarding, gesteld dat zij tijdens de relatie ook, naar draagkracht, heeft bijgedragen aan de (hypotheek)lasten van de woning. Uit die productie 6 volgt dat de vrouw in diverse maanden in 2023 en 2024 een bedrag van € 500 à € 700 naar de man heeft overgemaakt. Hieruit kan een stilzwijgende afspraak worden afgeleid dat de vrouw naar draagkracht bijdroeg in de gezamenlijke woonlasten. De man heeft deze stilzwijgende afspraak onvoldoende gemotiveerd weersproken. De man heeft verder niet concreet onderbouwd dat het de bedoeling was dat ieder de helft van de lasten droeg. Ook is niet gebleken dat partijen afspraken hebben gemaakt over (latere) verrekening of vergoeding van bedragen. De rechtbank gaat er dus van uit dat de stilzwijgend tussen partijen bestaande afspraak inhield dat de vrouw in de woonlasten bijdroeg naar financiële draagkracht en dat de man, die ook meer verdiende dan de vrouw, in de onderlinge verhouding met de vrouw de rest van de woonlasten voor zijn rekening nam. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan de eisen van redelijkheid en billijkheid (in weerwil van deze stilzwijgende afspraak) verrekening van de door de man betaalde bedragen meebrengen. De man heeft dit onvoldoende onderbouwd. Het voorgaande betekent dat er voor de duur van de relatie geen grond bestaat voor verrekening van woonlasten van de man op de vrouw.
5.17.
De stilzwijgende afspraak tussen partijen wordt geacht te zijn geëindigd op het moment dat de vrouw de woning heeft verlaten, op 1 september 2024. Vanaf dat moment was de vrouw dus in beginsel wel gehouden om de helft van de woonlasten te dragen. Gelet op het feit dat de man vanaf dat moment als enige de beschikking had over de woning terwijl hij geen gebruiksvergoeding betaalde aan de vrouw, acht de rechtbank het echter passend dat de man de vaste lasten na dat moment is blijven dragen (zie ook hierna, r.o. 5.19-5.21). Dit geldt voor de vanaf 1 september 2024 gevorderde hypotheekrente en VvE-bijdragen, maar ook voor de eveneens door de man gevorderde (helft van de) gemeentelijke belastingen 2025. De rechtbank ziet dit alleen anders wat betreft de aflossing van de gezamenlijke hypothecaire schuld, aangezien die aflossing leidt tot vermogensvermeerdering bij de vrouw terwijl daarvoor geen grondslag meer is. De man heeft dus een vergoedingsrecht op de vrouw ter hoogte van de helft van de door hem vanaf 1 september 2024 betaalde hypotheekaflossingen.
Slotsom verrekening overwaarde
5.18.
De man heeft alleen een vordering op de vrouw voor de helft van de door hem betaalde hypotheekaflossingen vanaf 1 september 2024 tot het moment van levering van de woning aan de man of een derde. De rechtbank zal dit opnemen in de verklaring voor recht, met veroordeling van de vrouw om de verschuldigde bedragen bij de verdeling van de gezamenlijke woning te voldoen uit haar aandeel van de overwaarde.
Gebruiksvergoeding
5.19.
De vrouw vordert op grond van artikel 3:169 BW Pro een door de man met ingang van 1 september 2024 te betalen gebruiksvergoeding ter hoogte van € 490 per maand, aangezien de man sindsdien het alleengebruik van de woning heeft. Volgens de man is er geen grond voor het toekennen van een gebruiksvergoeding.
5.20.
Artikel 3:169 BW Pro bepaalt dat iedere deelgenoot bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken. De Hoge Raad heeft bepaald dat dit ook meebrengt dat de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de ander gebruikt, verplicht is de ander schadeloos te stellen voor het feit dat hij geen gebruik kan maken van zijn eigendom, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143). Deze vergoeding wordt toegekend als de rechter dat redelijk en billijk vindt.
5.21.
Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de man na het uiteengaan van partijen de volledige woonlasten van de gezamenlijke woning voor zijn rekening genomen. Gelet hierop acht de rechtbank het toekennen van een gebruiksvergoeding aan de vrouw niet redelijk en billijk. Een gebruiksvergoeding kan worden weggestreept tegen de door de man betaalde woonlasten. De vordering van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.
Afgifte fotocamera
5.22.
Tot slot moet de rechtbank nog beslissen over de fotocamera. Tijdens de zitting is gebleken dat de man de fotocamera heeft gekocht op naam van (en volgens de man ook ten behoeve van) zijn bedrijf en dat de camera aan de man is geleverd. Gelet hierop moet de man als de rechthebbende van de fotocamera worden beschouwd. Dat de camera na de aankoop is geschonken aan de vrouw heeft de man betwist en heeft de vrouw niet onderbouwd. Het enkele feit dat de man de camera kort na de aanschaf aan de vrouw ter beschikking heeft gesteld om te gebruiken voor haar fotostudio is onvoldoende om een schenking aan te nemen. De vrouw heeft tijdens de zitting gezegd dat ze bereid is de camera terug te geven. De rechtbank zal gelet hierop de primaire vordering van de man tot afgifte van de camera aan hem toewijzen.
Proceskosten
5.23.
Gelet op het feit dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De rechtbank ziet in hetgeen door partijen is aangevoerd geen reden om hier anders over te oordelen.

6.De beslissing

De rechtbank:
in conventie en in reconventie
6.1.
gelast, op grond van artikel 3:185 BW Pro, de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] als volgt:
6.1.1.
gebiedt partijen binnen twee weken na de datum van dit vonnis [makelaar 1] B.V. in [plaats] (hierna: de makelaar) gezamenlijk opdracht te geven de woning zo spoedig mogelijk te taxeren; de makelaar stelt de actuele marktwaarde van de woning vast; partijen moeten ieder de helft van de kosten van de taxatie betalen;
6.1.2.
bepaalt dat de woning wordt toegedeeld aan de man tegen de door de makelaar te taxeren waarde, onder de opschortende voorwaarde dat de man binnen drie maanden nadat de makelaar de waarde heeft vastgesteld, aan de vrouw aantoont dat hij in staat is (i) de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en (ii) de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld;
6.1.3.
bepaalt dat, als aan de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde voorwaarden wordt voldaan, de vrouw haar aandeel in de woning zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen een maand na het moment waarop de man aantoont dat hij de benodigde financiering ter overname van de woning kan verkrijgen) overdraagt aan de man; de kosten van de notariële levering zullen door de man worden gedragen; beide partijen komt in beginsel de helft van de overwaarde (de taxatiewaarde van de woning verminderd met de hypotheekschuld ten tijde van de overdracht van de woning) toe, met dien verstande dat de rechtbank wijst op de beslissing onder 6.2;
6.1.4.
bepaalt dat, als de man niet in staat of bereid is binnen de eerder genoemde termijn de woning over te nemen, de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde; partijen zullen hiertoe binnen twee weken nadat de man heeft gezegd de woning niet te zullen overnemen gezamenlijk een verkoopopdracht verstrekken aan de makelaar; deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraagprijs en de laatprijs van de woning zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten; voor deze situatie gelden voorts de volgende voorwaarden:
partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder maar niet beperkt tot het opruimen van de woning voor het maken van foto’s en het bezichtigen van de woning door potentiële kopers;
partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit ten minste gelijk is aan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs; zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd en zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering; de levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;
de kosten die gemoeid gaan met de verkoop (makelaarskosten, notariskosten en overige kosten voor de verkoop en levering) worden in mindering gebracht op de verkoopopbrengst;
partijen zullen de hypothecaire geldlening aflossen uit de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd; ieder van partijen komt in beginsel de helft van de overwaarde toe, met dien verstande dat de rechtbank wijst op de beslissing onder 6.2;
6.2.
verklaart voor recht dat de man een vordering heeft op de vrouw ter hoogte van de helft van de door de man betaalde hypotheekaflossingen vanaf 1 september 2024 tot het moment van toedelen van de woning aan de man of de levering aan een derde, en veroordeelt de vrouw om de aan de man verschuldigde bedragen bij de verdeling van de gezamenlijke woning aan de man te voldoen uit haar aandeel van de overwaarde;
6.3.
veroordeelt de vrouw tot afgifte van de fotocamera aan de man;
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.