ECLI:NL:RBDHA:2026:1317

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2311
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 14 januari 2026 aan eiser, een Tunesische vreemdeling, een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank behandelde het beroep op 21 januari 2026. Eiser betwistte niet de feiten die aan de maatregel ten grondslag liggen, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht. De rechtbank oordeelde dat deze gronden zwaar genoeg zijn om de maatregel te dragen en dat het risico op onttrekking aan toezicht aanwezig is.

Eiser voerde aan dat de bewaring niet noodzakelijk was en dat de digitale handtekening onder de maatregel niet volstaat omdat onder het tijdstip van uitreiking geen handtekening staat. De rechtbank stelde vast dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend en dat de uitreiking aan eiser heeft plaatsgevonden. Het ontbreken van een handtekening bij het tijdstip van uitreiking doet hieraan niet af.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd en wees het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2311

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1983 en de Tunesische nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. In de maatregel staan als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
-
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;-
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;-
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
-
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;-
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;-
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. deze zware gronden kunnen de maatregel zelfstandig dragen en daarmee is het risico op onttrekking aan toezicht gegeven.
Grondslag van de maatregel
4. Eiser voert ter zitting aan dat hij niet inziet waarom de bewaring noodzakelijk is met het oog op de verkrijging van eisers gegevens. Eiser is eerder bij verweerder in beeld gekomen en is toen uitgezet naar Tunesië. Ook betwist eiser dat door verweerder is uitgegaan van de juiste grondslag van de maatregel van bewaring. Gelet op eisers eerdere toegang tot de asielprocedure en omdat verweerder van mening is dat er redelijke gronden kunnen worden aangenomen dat eiser de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen, is artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c de juiste grondslag voor de maatregel.
5. De rechtbank overweegt dat eiser op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Eiser heeft op 14 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. Vanwege het onttrekkingsgevaar dat volgt uit de zware en lichte gronden die in de maatregel zijn opgenomen, diende eiser in bewaring te worden gesteld en gehouden met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van zijn asielaanvraag en ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Verweerder heeft met juistheid toegelicht dat van de grondslag zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, geen sprake is, reeds omdat eiser niet voorafgaand aan het opleggen van de huidige maatregel al in bewaring werd gehouden.
Ondertekening van de maatregel
6. Eiser voert aan dat de digitale handtekening onder de maatregel van bewaring dateert van 14 januari 2026 om 11:53 uur. In de maatregel is echter ook opgenomen dat deze op 14 januari 2026 om 12:15 uur aan eiser is opgelegd. Eiser vermoedt dat de maatregel om 12:15 uur aan eiser is uitgereikt, maar stelt dat in het veld onder dit tijdstip ook een handtekening moet worden opgenomen en dat de digitale handtekening niet volstaat. Het ontbreken van deze handtekening onder de uitreiking is een gebrek, dat moet leiden tot opheffing van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring.
7. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat 12:15 uur het tijdstip is waarop de maatregel aan eiser is uitgereikt. Verweerder stelt voorts dat voor de uitreiking van de maatregel geen nieuwe handtekening vereist is en dat de eerdere elektronische handtekening onder de maatregel van bewaring volstaat.
8. Een rechtsgeldige maatregel van bewaring komt op grond van artikel 5.3. van het Vb tot stand indien deze is gedagtekend, ondertekend en met redenen is omkleed. Een maatregel van bewaring treedt verder pas in werking als deze aan eiser is uitgereikt. [3] De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring voldoet aan de vereisten zoals bedoeld in artikel 5.3 van het Vb. Dat verweerder bij de vermelding van het exacte tijdstip van uitreiking van de maatregel geen handtekening heeft geplaatst, doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de opgelegde maatregel. Eiser heeft niet bestreden dat de maatregel aan hem is uitgereikt en evenmin dat dat op het door verweerder gestelde en in de maatregel opgenomen tijdstip van 12:15 uur is gebeurd.
9. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.ABRvS 12 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2278.