ECLI:NL:RVS:2018:2278
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en gegrondverklaring beroep tegen onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens niet tijdige elektronische ondertekening
De vreemdeling werd op 17 juli 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld. De maatregel was digitaal opgesteld en ondertekend met een elektronische handtekening, maar de ondertekening vond pas plaats op 18 juli 2017, terwijl de maatregel op 17 juli was uitgereikt. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de maatregel pas rechtsgeldig wordt door ondertekening en uitreiking.
De Afdeling oordeelde dat de elektronische handtekening voldoet aan de wettelijke eisen van de Awb en de eIDAS-verordening, en dus rechtsgeldig is. Het tijdsverschil tussen het moment van uitreiken en ondertekenen maakt de maatregel echter onrechtmatig, omdat de maatregel niet rechtsgeldig was op het moment van uitreiken.
De belangen van de vreemdeling zijn daardoor geschaad, en de Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. De Afdeling kende een schadevergoeding toe over de periode van bewaring en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.