Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16387 en NL26.16389
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak op grond van Dublinverordening

Verzoekers, bestaande uit twee ouders en hun minderjarige kinderen, hebben een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen de beslissing van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de behandeling van de asielaanvragen volgens de Dublinverordening.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 19 mei 2026 behandeld en geoordeeld dat, gezien de uitspraak in de bodemzaken (NL26.16386 en NL26.16388), een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom zijn de verzoeken afgewezen.

Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op € 934,00, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank heeft de zaken als samenhangend aangemerkt voor de proceskostenregeling.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.W.M. Bunt en griffier F.E. Siblesz, en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening zijn afgewezen en de minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.16387 en NL26.16389

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2], V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2],

Mede namens hun minderjarige kinderen,
[minderjarige 1] en [minderjarige 2], V-nummers: [V-nummer 3] en [V-nummer 4], verzoekers
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Procesverloop

Bij besluiten van 18 maart 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken, tezamen met de zaken NL26.16386 en NL26.16388, op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.16386 en NL26.16388, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.
2. Gelet op de uitkomst van de bodemzaken veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank merkt de beide zaken waarbij eisers afzonderlijk een verzoek om een voorlopige voorziening hebben ingesteld in dit kader aan als samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.