ECLI:NL:RBDHA:2026:13184
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublinverordening en Zwitserse verantwoordelijkheid
Verzoekster heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, waarbij Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van de echtgenoot van verzoekster.
Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 19 mei 2026. Gezien de uitspraak in de gerelateerde zaak was een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan in het openbaar en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.