ECLI:NL:RBDHA:2026:13192
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag niet-ontvankelijk verklaard
In deze zaak heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de minister op 19 maart 2026 heeft beslist op het bezwaarschrift van verzoeker. Verzoeker heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.
Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen worden gedaan als er een beroepsprocedure loopt tegen het besluit op bezwaar. Omdat in deze zaak geen beroep is ingesteld, is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen beroep is ingesteld tegen het besluit op bezwaar.