Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13225

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2611611:R-RK en NL:TZ:2611612:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b FwArt. 285 FwArt. 305 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ontruiming wegens onvoldoende stabiliteit en inkomen

De heer [naam 1] verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening die de ontruiming van zijn woning voor zes maanden zou verbieden, zodat hij het minnelijk traject kon afronden. De ontruiming was gepland op 8 mei 2026 vanwege een ontbinding van de huurovereenkomst en een aanzienlijke huurachterstand.

De rechtbank stelde vast dat er sprake was van een bedreigende situatie, maar dat voor het verlenen van een voorlopige voorziening vereist is dat de schuldenaar een minnelijk traject is gestart of dit op zeer korte termijn zal doen, en dat de lopende huurtermijnen worden voldaan. De heer [naam 1] had pas kort geleden contact gezocht met schuldhulpverlening en beschikte slechts over een zeer laag inkomen uit ziektewetuitkering, zonder voldoende zekerheid over toekomstige inkomsten.

De verhuurder stelde dat er sprake was van langdurige wanprestatie en dat de huurder geen actieve houding had aangenomen om de situatie op te lossen. De rechtbank oordeelde dat de financiële situatie onvoldoende stabiel was en dat de lopende huur niet werd voldaan, waardoor niet aan de wettelijke voorwaarden voor een moratorium werd voldaan.

Daarnaast werd het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van benodigde stukken. De rechtbank wees het verzoek tot voorlopige voorziening af en verklaarde de schuldsaneringsaanvraag niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af wegens onvoldoende stabiliteit en inkomen en verklaart het WSNP-verzoek niet-ontvankelijk.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummers: NL:TZ:2611611:R-RK en NL:TZ:2611612:R-RK
vonnis op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet van 19 mei 2026
[naam 1],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna: de heer [naam 1] ,
advocaat/gemachtigde: mr. W.L. Bouritius, De Pleiters Advocaten,
tegen
de heer
[naam 2], tevens handelend onder de naam [bedrijf] ,
wonende en kantoorhoudende te [plaats] ,
hierna: verweerder,
gemachtigde: BoitenLuhrs Incasso Gerechtsdeurwaarders.
Waar deze zaak over gaat
Op vrijdag 8 mei 2026 wilde verweerder de woning van de heer [naam 1] ontruimen. Hierdoor is voor de heer [naam 1] een bedreigende situatie ontstaan. De heer [naam 1] heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening uit te spreken, waarbij de ontruiming voor zes maanden wordt verboden. De heer [naam 1] is daardoor in de gelegenheid om het minnelijk traject af te ronden. De rechtbank wijst het verzoek af en legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Op 7 mei 2026 heeft de heer [naam 1] gevraagd om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Daarbij heeft de heer [naam 1] ook een WSNP-verzoek ingediend.
1.2.
Het verzoek houdt in dat verweerder wordt verboden om de woning aan het adres [adres] te ontruimen. De heer [naam 1] huurt deze woning van verweerder. De ontruiming stond gepland op vrijdag 8 mei 2026.
1.3.
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 7 mei 2026 verweerder verboden de woning te ontruimen totdat op het verzoek van de heer [naam 1] een eindbeslissing is genomen.
1.4.
Het verzoek tot het afgeven van de voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 15 mei 2026 om 11:30 uur. Op deze zitting verschenen:
- de heer [naam 1] , bijgestaan door,
- de heer mr. W.L. Bouritius, van De Pleiters Advocaten,
- de heer mr. J.O. Bohr, van Advocatenkantoor Bohr namens verweerder.
1.5.
Op 12 mei 2026 heeft de gemachtigde van verweerder een drietal producties ter verweer bij de rechtbank ingediend.

2.Onderbouwing van het verzoek

2.1.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de heer [naam 1] aangevoerd dat hij de lopende huur kan betalen. Hij heeft op dit moment slechts een inkomen bestaande uit een ziektewet uitkering van € 180,- per maand. Hij heeft echter sollicitaties lopen en verwacht op korte termijn weer een baan te hebben en hij zal indien nodig een aanvullende bijstandsuitkering aanvragen. Hij woont samen met zijn vriendin en twee kinderen. Zijn vriendin heeft een vast inkomen van € 1.500,- bruto per maand.
2.2.
Verder is aangevoerd dat er een verzet procedure is ingesteld tegen het verstekvonnis van de rechtbank waarbij de huurovereenkomst is ontbonden. [naam 1] hoopt dat dit verzet op korte termijn behandeld gaat worden en dat de uitkomst in ieder geval zal zijn dat een huurverlaging wordt opgelegd. Hij geeft aan dat er sprake is van achterstallig onderhoud met betrekking tot de woning en dat dit in de verzet procedure is meegenomen. Dit achterstallig onderhoud is meerdere keren gemeld en besproken met de vertegenwoordiger van verhuurder maar verhuurder heeft er niets aan gedaan.
2.3.
Het belang van de heer [naam 1] en zijn vriendin en kinderen bij het behouden van de woning dient volgens [naam 1] zwaarder te wegen dan het belang van de verhuurder bij de ontruiming.

3.Het verweer

3.1.
Door mr. Bohr, gemachtigde van verweerder, zijn ter zitting spreekaantekeningen overhandigd en voorgedragen. Verweerder stelt kort samengevat dat er sprake is van een ernstige en langdurige wanprestatie. De huurachterstand bedraagt inmiddels ruim
€ 6.400,00 overeenkomend met acht maanden huur. Daarnaast is de heer [naam 1] ruim
€ 4.000,00 aan energiekosten over 2025 verschuldigd. Van bijzonder belang is dat de heer [naam 1] gedurende het gehele traject geen enkele actieve houding heeft aangenomen. De heer [naam 1] heeft niet gereageerd op betalingsherinneringen, aanmaningen, geen gehoor gegeven aan vroeg signalering, hulpverlening vanuit de gemeente, heeft geen verweer gevoerd in de bodemprocedure en na betekening van het verstekvonnis wederom geen actie ondernomen, tot aan 2 dagen voor de ontruiming. Deze houding getuigt niet van de wil tot betalen of serieuze bereidheid om de ontstane problematiek op te lossen. Het verzoek tot toelating tot de WSNP is pas twee dagen voor de geplande ontruiming ingediend en het verzoek tot moratorium volgde zelfs slechts één dag voor de executie. Daarbij is er volgens gemachtigde nog geen reëel begin gemaakt met de schuldhulpverlening.
Er is geen sprake van een reëel en concreet perspectief op stabilisatie van de financiële situatie. Niet is gebleken dat, de lopende huurtermijnen inmiddels worden voldaan, er sprake is van actief beschermingsbewind of budgetbeheer en dat voldoende inkomen beschikbaar is om toekomstige verplichtingen na te komen. Evenmin zijn garanties verstrekt voor betaling van de lopende huur. De heer [naam 2] heeft de procedure zorgvuldig doorlopen en huurder meerdere kansen geboden om alsnog tot betaling of overleg te komen. De heer [naam 2] beschikt inmiddels over een rechtmatige executoriale titel en mag erop vertrouwen dat deze ten uitvoer kan worden gelegd. Namens de heer [naam 2] wordt daarom verzocht, het verzoek ex artikel 287b Faillissementswet af te wijzen. Ter zitting geeft gemachtigde aan dat het achterstallig onderhoud volgens hem nooit officieel is gemeld en is er zeker geen ingebrekestelling geweest. Was dit wel het geval geweest dan was verhuurder verplicht er wat aan te doen en dan had hij dit ook gedaan.

4.De beoordeling

4.1.
Allereerst dient door de rechtbank te worden beoordeeld of er sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu de heer [naam 1] een kopie van het vonnis van de rechtbank van 31 maart 2026 tot ontbinding van de huurovereenkomst en een kopie van het exploot van (laatstelijk) 20 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 8 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
4.2.
De voorlopige voorziening van artikel 287b Fw heeft tot doel om een soort adempauze te bereiken die de schuldenaar in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden te bereiken c.q. af te ronden (Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, C, p. 5). Hieruit blijkt dat, wil artikel 287b Fw van toepassing kunnen zijn, er met het minnelijk schuldsaneringstraject een aanvang moet zijn gemaakt, of in ieder geval hiermee op zeer korte termijn zal worden begonnen. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, blijkt dat de heer [naam 1] zich pas kortgeleden – namelijk op 6 mei 2026 – tot de schuldhulpverlening heeft gewend. Inmiddels heeft wel een intakegesprek plaatsgevonden zodat een (zeer prille) start met het schuldhulpverleningstraject is gemaakt.
4.3.
Om het verzoek tot een voorlopige voorziening te kunnen toewijzen, is verder nodig dat de lopende huurtermijnen op tijd worden voldaan. Dat volgt uit de wet (artikel 287b lid 4 Fw jo. artikel 305 lid 2 Fw Pro).
4.4.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening af, omdat niet is gebleken dat de heer [naam 1] over voldoende inkomsten beschikt en daarmee aan de lopende huurverplichting zal kunnen voldoen
4.5.
Ter zitting is gebleken dat de huurtermijnen vanaf november 2025 tot en met mei 2026 door de heer [naam 1] niet zijn voldaan. Ter zitting is ook gebleken dat de heer [naam 1] een ziektewetuitkering ontvangt van € 180,00 netto per maand en verder vooralsnog niet beschikt over andere inkomsten. De heer [naam 1] geeft aan dat de uitkering zo laag is omdat hij maar heel kort, met een 0-uren contract bij zijn laatste werkgever heeft gewerkt. Wel geeft de heer [naam 1] aan dat hij mogelijk aan het eind van deze maand een nieuwe baan heeft en dat hij een bijstandsuitkering zal aanvragen. De vriendin van de heer [naam 1] ontvangt volgens hem een bruto inkomen van € 1.500,00 per maand. Zij is echter geen huurder en dat dit inkomen wordt ontvangen is niet middels loonstroken, een arbeidscontract of op een andere manier onderbouwd. De maandelijkse huur bedraagt
€ 800,00 per maand, daarbij komen overige maandelijkse vaste lasten en de kosten
voor de inwonende kinderen. Dat de inkomsten die er zouden zijn afdoende zijn om al deze vaste lasten te betalen, kan door de rechtbank niet worden vastgesteld en is te onzeker. Zeker nu de afgelopen maanden de huur structureel niet is betaald terwijl de vriendin van de heer [naam 1] kennelijk wel al langer beschikt over een vast inkomen. Ook het feit dat de heer [naam 1] heeft gesolliciteerd en mogelijk een nieuwe baan zal krijgen of een bijstandsuitkering, biedt onvoldoende zekerheid dat de lopende huur op dit moment zal worden betaald.
4.6.
Er is dus geen sprake van de voor het verlenen van een moratorium vereiste stabiliteit, aldus dat inkomsten en uitgaven in evenwicht zijn. Evenmin is gebleken dat dit op zeer korte termijn zal of kan worden gerealiseerd. Dat verzet is ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter maakt dit niet anders. De uitkomst van de verzet procedure is naar het oordeel van de rechtbank te onzeker om daarop nu te kunnen baseren dat de huur zal worden verlaagd en dat die verlaagde huur dan wel betaald zal kunnen worden.
4.7.
De rechtbank heeft bij haar oordeel meegewogen dat de heer [naam 1] en zijn vriendin de zorg dragen voor de minderjarige kinderen en dat ook deze kinderen hun woning zullen verliezen. Hoewel deze belangen zwaar wegen, neemt dat niet weg dat de heer van der [naam 1] de lopende huurverplichtingen niet zal kunnen voldoen gezien het gebrek aan voldoende inkomsten en dat de huurachterstand dus nog verder zal oplopen. Op grond van artikel 305 lid 2 Fw Pro kan het ontruimingsvonnis alleen worden opgeschort als de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan.
4.8.
Dit alles maakt dat de rechtbank het op artikel 287b Fw gebaseerde verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening zal afwijzen.
Het WSNP-verzoek
4.9.
Ten aanzien van het verzoek tot het toepassen van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt de heer [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard, nu de daarvoor benodigde stukken als bedoeld in artikel 285 Fw Pro. ontbreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek aan te houden om de stukken te completeren, omdat het minnelijk schuldsaneringstraject nog maar net is aangevangen en een compleet verzoek op een later moment alsnog kan worden ingediend.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst de verzochte voorlopige voorziening af;
- verklaart
[naam 1]niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Dit is een beslissing van mr. L. Mundt, rechter, in samenwerking met A. van Groningen Schinkel, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.