Uitspraak
verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie,
Overwegingen
non-refoulement. Verweerder stelt zich op grond van zijn beleid op het standpunt dat het aan verzoeker is om aan te tonen dat hij geen feitelijke toegang zal hebben tot de noodzakelijke behandeling die in Guinee in beginsel beschikbaar is en dat deze bewijslastverdeling in overeenstemming is met nationale en internationale rechtspraak [17] .
niet-medische factoren in het algemeen ook van groot belang kunnen zijn om de voortzetting van de medische behandeling in het land van herkomst te garanderen. Verweerder acht zich evenwel niet gehouden om uit eigen beweging na te gaan of de feitelijke toegang tot de medische behandeling is gewaarborgd en plaatst de stellingen van verzoeker ook niet in de context van algemene landeninformatie. Verweerder acht zich ook niet gehouden om een medisch deskundige onderzoek te laten doen naar het ziektebesef en ziekte-inzicht van verzoeker, terwijl uit de overgelegde stukken hiervoor indicaties blijven en het evident is dat indien dit ontbreekt, dit gevolgen kan hebben voor de voortzetting van de medische behandeling.
BMA-advies zijn gebaseerd en welke brondocumenten ter beschikking van BMA staan. Verzoeker heeft aangevoerd dat in het BMA-advies uitsluitend is vermeld dat behandeling door een psychiater aanwezig is maar dat niet is beschreven welke therapieën exact beschikbaar zijn en of deze aansluiten op de problematiek van verzoeker. Verzoeker heeft daaraan toegevoegd dat noch in het rapport van het Ministerie van Volksgezondheid van Guinee, noch in het Algemeen Ambtsbericht Guinee [31] er enige melding wordt gemaakt over (psychische) gezondheidszorg in Guinee. Verweerder heeft hierop op het BMA-advies gewezen en gesteld dat hierin met onderbouwing is gemotiveerd dat de medische zorg die hij nodig heeft aanwezig is in Guinee en verzoeker geen informatie heeft overgelegd die dit weerlegt [32] .
non-refoulement in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit omdat het refoulementverbod absoluut is. De prejudiciële vraag van de rechtbank heeft betrekking op de omvang van de verplichting van verweerder om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, en houdt dan ook geen verband met een nadere uitlegging van artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 van Pro het Handvest en de vraag of het privéleven van verzoeker, waaronder begrepen de medische behandeling die verzoeker in Nederland ondergaat, in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Omdat verweerder niet eerder een terugkeerbesluit jegens verzoeker heeft vastgesteld, ziet de prejudiciële vraag van de rechtbank niet op het moeten uitstellen van de uitvoering van een terugkeerbesluit. De vraag of de verwijdering moet worden uitgesteld op grond van artikel 9, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115 is vooralsnog niet aan de orde in het hoofdgeding omdat de rechtbank eerst moet beoordelen of de gezondheidssituatie van verzoeker in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit.
P. Pikamäe in zijn conclusie van 9 juni 2022 in de zaak X [38] . Meer in bijzonder vraagt de rechtbank zich af of artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 de verplichting voor verweerder omvat om, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, na te gaan of deze noodzakelijke medische behandeling ook daadwerkelijk feitelijk toegankelijk zal zijn voor verzoeker na terugkeer.
non-refoulement niet in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit.