3.2.8Bijzondere aandachtspunten landgebonden deel
Toegankelijkheid
(Individuele) toegankelijkheid duidt op de bereikbaarheid, betaalbaarheid en de mate waarin de individuele vreemdeling toegang kan krijgen tot de geïndiceerde behandeling.
Die toegankelijkheid hangt van andere aspecten af dan van de medische aspecten (denk aan
culturele opvattingen over de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor bijvoorbeeld vrouwen, religieuze invloeden op verschil in toegang tot zorg voor verschillende groeperingen, sociaalgeografische aspecten, waardoor de zorg in de stad feitelijk voor inwoners van het platteland nauwelijks beschikbaar is en financiële randvoorwaarden, bijvoorbeeld wordt de behandeling op een of ander manier vergoed of moet eerst een aanzienlijke som geld betaald worden voordat zorg beschikbaar komt).
(…)
De aan BMA gevraagde informatie over de medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst of land van terugkeer gaat alleen over de beschikbaarheid van behandeling(en) in medisch-technische zin. Er wordt geen informatie gevraagd over de individuele toegankelijkheid tot die behandeling(en), waarbij niet-medische factoren, zoals onder meer politieke, veiligheids-,geografische, economische en inkomensaspecten, een rol spelen. Wel wordt gevraagd naar specifieke medische behandelmogelijkheden voor specifieke klachten in een bepaalde kliniek/instelling op enige plaats in het land van herkomst of terugkeer.
Dit laat onverlet dat deze niet-medische factoren in het algemeen ook van groot belang kunnen zijn om voortzetting van de medische behandeling in het land van herkomst te garanderen. Een onderzoek hiernaar valt echter niet binnen het deskundigheidsgebied van de arts van BMA zodat daar in het BMA-advies niet op wordt ingegaan.
(…)
14. In het BMA-advies dat in het hoofdgeding is opgemaakt op 27 november 2025 is onder meer het navolgende vermeld:
(…)
A. Persoonsgebonden vragen
1a.
Heeft betrokkene één of meerdere medische klachten?
Ja, aldus de gemachtigde behandelaars.
1b.
Zo ja, wat is de aard van de klachten? Kunt u hierbij een samenvatting geven van de meest belangrijke klachten en/of diagnostiek?
Uit de beschikbare medische informatie verkregen van de gemachtigde behandelaars komt naar voren dat er bij betrokkene sprake is van een psychotische stoornis. Daarnaast is hij bekend met middelengebruik en is mogelijk getraumatiseerd, aldus de behandelaar.
Vanwege een psychotisch toestandsbeeld werd betrokkene in april 2024 gedurende drie maanden met een crisismaatregel opgenomen bij CTP Veldzicht. Er was sprake van
waandenkbeelden en hallucinaties en hij vertoonde bizar gedrag, leidend tot agressie met gevaar voor betrokkene zelf en zijn omgeving.
Betrokkene werd behandeld met medicatie, waarna de psychose verbleekte. Na opname bleef betrokkene aanvankelijk in zorg bij het FACTvan CTP Veldzicht en er werd een Zorgmachtiging afgegeven. Deze is in juli 2025 afgelopen en aangezien betrokkene
al lange tijd stabiel was, werd deze niet verlengd. De behandeling is in augustus 2025 overgedragen aan de huisarts. Er wordt sinds de opname van 2024 door de huisarts geen melding meer gemaakt van psychotische symptomen.
2a.Staat betrokkene voor de onder 1b. genoemde klachten onder actieve medische behandeling of wordt medische behandeling binnenkort gestart?
Ja, betrokkene staat onder behandeling.
2b.
Zo ja, wat is de aard van deze behandeling, door wie wordt deze behandeling gegeven en is de behandeling van tijdelijke of van blijvende aard?
Therapie:
Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat betrokkene op dit moment alleen nog onder behandeling is van de huisarts; behandeling bestaat uit onderhoudsdosering van de antipsychotica d.m.v. een depot-injectie elke 2 maanden.
Medicatie:
A. Aripiprazol depot injectie (antipsychotica)
2c.
Voor zover de behandeling van tijdelijke aard is, kunt u op basis van de huidige medische inzichten aangeven wanneer de behandeling zal zijn afgerond?
Gezien de aard en duur van de klachten, is naar verwachting langdurige behandeling met antipsychotica noodzakelijk.
3. Kunt u aangeven wat in de huidige situatie de te verwachten medische gevolgen zullen zijn bij uitblijven van de onder 2b. genoemde behandeling?
Bij uitblijven van de onderhoudsbehandeling met antipsychotica is er een reële kans dat betrokkene opnieuw psychotisch zal ontregelen, met verward gedrag, agressie en gevaar voor hemzelf of zijn omgeving tot gevolg.
4. Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de onder 2b. genoemde behandeling leiden tot een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden?
Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik wel een medische noodsituatie binnen deze termijn, omdat betrokkene voorafgaand aan behandeling dusdanig psychotische symptomen vertoonde dat opname met een crisismaatregel noodzakelijk was. Er was sprake van verward gedrag door de psychose met agressie en gevaar voor hemzelf en zijn omgeving. Bij uitblijven van behandeling met antipsychotica bestaat er een reële kans dat
betrokkene opnieuw dusdanig psychotisch zal ontregelen.
Als betrokkene gaat reizen, gebeurt dit in de regel per vliegtuig, trein, auto of boot.
5a.Kan betrokkene reizen, met bovengenoemde vervoersmiddelen?
Ja, betrokkene kan reizen.
(…)
B. Landgebonden vragen
(…)
6a. Is behandeling, in algemeen medisch-technische zin, voor de onder 1b beschreven klachten, op enige plaats in Guinee aanwezig?
Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie met betrekking tot de therapiemogelijkheden in het land van herkomst/land van eventuele verwijdering, concludeer ik dat de behandeling aanwezig is.
6b. Zo ja, waaruit bestaat deze behandeling en waar wordt bedoelde behandeling bijvoorbeeld gegeven? Kunt u beoordelen of de eventuele beschikbare behandeling voldoende is om een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes
maanden te voorkomen?
Met betrekking tot de therapie zoals genoemd onder vraag 2b: Uit brondocument AVA 18867 blijkt dat behandeling door een psychiater wel aanwezig is o.a. in CHU Donka, Centre Hospitalier Universitaire, Donka, Conakry.
Indien noodzakelijk is hier ook psychiatrische thuiszorg, behandeling door een psychiater in klinische opname en gedwongen opname mogelijk.
Met betrekking tot de medicatie zoals genoemd onder vraag 2b: Uit brondocument AVA 18867 blijkt dat het middel Aripiprazol depot injecties wel aanwezig is, o.a. in Nouni Pharmacy, Conakry.
Hiermee acht ik de beschikbare behandeling voldoende om een medische noodsituatie binnen de genoemde termijn te voorkomen.
(…)
15. Verzoeker is gediagnosticeerd met een ongespecificeerd schizofreniespectrum - of andere psychotische stoornis - en er is mogelijk sprake van een posttraumatische stressstoornis. Verzoeker wordt thans in Nederland behandeld voor deze problematiek. Indien verzoeker na terugkeer naar Guinee verstoken zal blijven van deze of een vergelijkbare medische behandeling, zal er binnen een indicatieve periode van drie tot zes maanden een medische noodsituatie ontstaan. Dit is tussen partijen niet in geschil en volgt uit het BMA-advies dat verweerder heeft doen opmaken om na te gaan of verzoeker kan reizen en om na te gaan of er een medische noodsituatie zal ontstaan als verzoeker moet terugkeren naar Guinee. In de nationale rechtspraktijk wordt met een medische noodsituatie, een situatie die strijdig is met artikel 3 EVRM bedoeld.
16. In het BMA-advies is tevens vermeld dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar is in Guinee. Hiermee wordt bedoeld dat een specifieke medische behandeling (waaronder ook medicatie) aanwezig is op enige plek op een bepaald moment in het gevraagde land van herkomst of land van bestemming. BMA baseert dit op Medical Country of Origin Information van het EUAA.
17. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat een BMA-advies wordt aangemerkt als een deskundigenbericht. Verweerder dient zich er van te vergewissen dat een deskundigenrapport waar hij zijn besluit op baseert, zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud voldoende inzichtelijk en concludent is. Als dit het geval is, dan mag hij in beginsel van de juistheid van het advies uitgaan. Het is aan de derdelander om de juistheid van het deskundigenadvies te betwisten.
18. In het hoofdgeding rijst de vraag of verweerder kan volstaan met het vragen van een BMA-advies en het zich vergewissen of dit BMA-advies zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud voldoende inzichtelijk en concludent is. Uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 volgt dat verweerder, indien hij richtlijn 2008/115 ten uitvoer legt en in dat kader een terugkeerbesluit wil vaststellen, rekening moet houden met de gezondheid van verzoeker en het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. Verweerder is uitsluitend nagegaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat er een medische noodsituatie ontstaat, en dus een schending van artikel 3 van het EVRM zal optreden, beschikbaar is in Guinee. Indien verzoeker echter na terugkeer geen feitelijke toegang zal hebben tot deze noodzakelijke medische behandeling, zal verzoeker in een situatie terechtkomen als bedoeld in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest verbieden evenwel de verwijdering als deze in strijd is met het beginsel van
non-refoulement. Verweerder stelt zich op grond van zijn beleid op het standpunt dat het aan verzoeker is om aan te tonen dat hij geen feitelijke toegang zal hebben tot de noodzakelijke behandeling die in Guinee in beginsel beschikbaar is en dat deze bewijslastverdeling in overeenstemming is met nationale en internationale rechtspraak.
19. In het eerder genoemde arrest X van 22 november 2022heeft het Hof bij de precisering van het Unierecht gewezen op het arrest Paposhvili van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 13 december 2016en onder meer overwogen dat uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat het arrest Paposhvili een norm stelt die naar behoren rekening houdt met alle voor de toepassing van artikel 3 EVRM relevante overwegingen, in die zin dat daarin het algemene recht van staten om toezicht te houden op de binnenkomst, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen onverlet laat, maar tegelijkertijd de absolute aard van dat artikel wordt erkend.
20. Het EHRM heeft in het arrest Paposhvili onder meer het navolgende overwogen:
(…)
“185. Accordingly, in cases of this kind, the authorities’ obligation under Article 3 to protect the integrity of the persons concerned is fulfilled primarily through appropriate procedures allowing such examination to be carried out (see, mutatis mutandis, El-Masri v. the former Yugoslav Republic of Macedonia [GC], no. 39630/09, § 182, ECHR 2012; Tarakhel, cited above, § 104; and F.G. v. Sweden, cited above, § 117).
186. In the context of these procedures, it is for the applicants to adduce evidence capable of demonstrating that there are substantial grounds for believing that, if the measure complained of were to be implemented, they would be exposed to a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3 (see Saadi, cited above, § 129, and F.G. v. Sweden, cited above, § 120). In this connection it should be observed that a certain degree of speculation is inherent in the preventive purpose of Article 3 and that it is not a matter of requiring the persons concerned to provide clear proof of their claim that they would be exposed to proscribed treatment (see, in particular, Trabelsi v. Belgium, no. 140/10, § 130, ECHR 2014 (extracts)).
187. Where such evidence is adduced, it is for the authorities of the returning State, in the context of domestic procedures, to dispel any doubts raised by it (see Saadi, cited above, § 129, and F.G. v. Sweden, cited above, § 120). The risk alleged must be subjected to close scrutiny (see Saadi, cited above, § 128; Sufi and Elmi v. the United Kingdom, nos. 8319/07 and 11449/07, § 214, 28 June 2011; Hirsi Jamaa and Others, cited above, § 116; and Tarakhel, cited above, § 104) in the course of which the authorities in the returning State must consider the foreseeable consequences of removal for the individual concerned in the receiving State, in the light of the general situation there and the individual’s personal circumstances (see Vilvarajah and Others, cited above, § 108; El-Masri, cited above, § 213; and Tarakhel, cited above, § 105). The assessment of the risk as defined above (see paragraphs 183-84) must therefore take into consideration general sources such as reports of the World Health Organisation or of reputable non-governmental organisations and the medical certificates concerning the person in question.
(…)
189. As regards the factors to be taken into consideration, the authorities in the returning State must verify on a case-by-case basis whether the care generally available in the receiving State is sufficient and appropriate in practice for the treatment of the applicant’s illness so as to prevent him or her being exposed to treatment contrary to Article 3 (see paragraph 183 above). The benchmark is not the level of care existing in the returning State; it is not a question of ascertaining whether the care in the receiving State would be equivalent or inferior to that provided by the health-care system in the returning State. Nor is it possible to derive from Article 3 a right to receive specific treatment in the receiving State which is not available to the rest of the population.
190. The authorities must also consider the extent to which the individual in question will actually have access to this care and these facilities in the receiving State. The Court observes in that regard that it has previously questioned the accessibility of care (see Aswat, cited above, § 55, and Tatar, cited above, §§ 47-49) and referred to the need to consider the cost of medication and treatment, the existence of a social and family network, and the distance to be travelled in order to have access to the required care (see Karagoz v. France (dec.), no. 47531/99, 15 November 2001; N. v. the United Kingdom, cited above, §§ 34-41, and the references cited therein; and E.O. v. Italy (dec.), cited above).
191. Where, after the relevant information has been examined, serious doubts persist regarding the impact of removal on the persons concerned - on account of the general situation in the receiving country and/or their individual situation - the returning State must obtain individual and sufficient assurances from the receiving State, as a precondition for removal, that appropriate treatment will be available and accessible to the persons concerned so that they do not find themselves in a situation contrary to Article 3 (on the subject of individual assurances, see Tarakhel, cited above, § 120).
192. The Court emphasises that, in cases concerning the removal of seriously ill persons, the event which triggers the inhuman and degrading treatment, and which engages the responsibility of the returning State under Article 3, is not the lack of medical infrastructure in the receiving State. Likewise, the issue is not one of any obligation for the returning State to alleviate the disparities between its health-care system and the level of treatment existing in the receiving State through the provision of free and unlimited health care to all aliens without a right to stay within its jurisdiction. The responsibility that is engaged under the Convention in cases of this type is that of the returning State, on account of an act - in this instance, expulsion - which would result in an individual being exposed to a risk of treatment prohibited by Article 3.
(…)”
21. In de nationale rechtspraak is de bewijslastverdeling in zaken als het hoofdgeding op grond van deze overwegingen uit het arrest Paposhvili bepaald en wordt aangenomen dat verweerder niet hoeft na te gaan of de noodzakelijke medische behandeling toegankelijk zal zijn voor de derdelander, maar dat het aan de derdelander is om aan te tonen dat hij geen toegang zal hebben tot deze medische behandeling.
22. De rechtbank overweegt dat met name gelet op overwegingen 190 en 191 het zeer de vraag is of deze bewijslastverdeling kan worden afgeleid uit het arrest Paposhvili. Indien wel zou moeten worden aangenomen dat het EHRM heeft bedoeld dat het aan de derdelander is om tenminste een begin van bewijs te leveren van zijn stelling dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen niet feitelijk toegankelijk zal zijn, merkt de rechtbank op dat de Uniewetgever in artikel 52, derde lid, heeft bepaald dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend en dat deze bepaling niet verhindert dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. De rechtbank wijst in dit verband op de Conclusie van advocaat-generaal Pikamäe van 9 juni 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, die een uitgebreide analyse bevat van de rechtspraak van het EHRM en het Hof met betrekking tot de verwijdering van ernstig zieke vreemdelingen en waarin de advocaat-generaal vervolgens het Hof adviseert haar eigen uitlegging die meer bescherming biedt niet af te stemmen op die van het EHRM. De rechtbank overweegt dat, daargelaten de vraag of het Unierecht in zaken als in het hoofdgeding, meer bescherming biedt, de Uniewetgever in richtlijn 2008/115 uitdrukkelijk verplichtingen voor de autoriteiten heeft vastgesteld. Ongeachte de precieze omvang van de verplichtingen die de verdragsstaten op grond van artikel 3 EVRM hebben en ongeacht wat van de derdelander die stelt dat zijn verwijdering in strijd is met artikel 3 van het EVRM mag worden verwacht, volgt uit richtlijn 2008/115 dat de Uniewetgever de lidstaten heeft verplicht om rekening te houden met de gezondheidstoestand van de illegaal op het grondgebied verblijvende derdelander, zelfs indien de derdelander hier niet uitdrukkelijk om verzoekt. Bovendien heeft het refoulementverbod een absoluut karakter.
23. De rechtbank overweegt dat de in de nationale rechtspraak aanvaarde bewijslastverdeling met betrekking tot de feitelijke toegang tot de noodzakelijke en in het algemeen beschikbare medische zorg aanzienlijke gevolgen heeft voor verzoeker. De partij die de bewijslast draagt, draagt immers ook het bewijsrisico. Met andere woorden, indien verzoeker niet aannemelijk kan maken dat hij geen toegang tot de noodzakelijke zorg zal kunnen verkrijgen na terugkeer, zal verweerder gelet op artikel 6 van richtlijn 2008/115 een terugkeerbesluit moeten vaststellen en dit terugkeerbesluit op grond van artikel 8 van richtlijn 2008/115 moeten uitvoeren. Indien verweerder daarentegen de bewijslast draagt van de feitelijke toegankelijkheid van de zorg die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen en dat bewijs niet kan leveren, is verweerder niet bevoegd om een terugkeerbesluit vast te stellen en ontstaat er geen terugkeerverplichting. Zoals het Hof in het arrest X van 22 november 2022 immers heeft verduidelijkt, moet de lidstaat in staat zijn om elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van die derdelander zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte of van de daardoor veroorzaakte pijn en kan, indien dergelijke twijfels niet kunnen worden weggenomen, de bevoegde nationale autoriteit geen terugkeerbesluit uitvaardigen noch de betrokken derdelander verwijderen.
24. De rechtbank overweegt voorts dat indien verzoeker aannemelijk zou moeten maken dat hij na terugkeer geen toegang zal krijgen tot de door BMA noodzakelijk geachte medische behandeling, zijn bewijspositie precair zal zijn. Verweerder zou dan kunnen volstaan met de verwijzing naar het BMA-advies waaruit volgt dat de noodzakelijke specifieke medische behandeling (waaronder ook medicatie) aanwezig is op enige plek op een bepaald moment in Guinee. Verzoeker heeft er in zijn reactie op het BMA-advies op gewezen dat hij is gediagnosticeerd met een ongespecificeerd schizofreniespectrum - of andere psychotische stoornis - en er mogelijk ook sprake is van een posttraumatische stressstoornis. Uit het dossier blijkt volgens verzoeker ook dat hij geen ziektebesef en ziekte-inzicht heeft en niet medicatietrouw is en zijn medicatie daarom in depot vorm krijgt. Verzoeker heeft voorts het navolgende aangevoerd:
(…)
“-Verzoeker is analfabeet en afkomstig uit een klein dorp genaamd Bakoun (regio Kankan). Verzoeker heeft zijn land van herkomst verlaten toen hij circa 14 jaar oud was. Hij heeft geen bron van inkomsten en er is geen contact met zijn familie. Hij heeft derhalve geen netwerk. Er dient rekening gehouden te worden met dit referentiekader als het gaat om de beoordeling of de medische zorg wel toegankelijk kan worden geacht voor verzoeker.
-In het land van herkomst rust er een taboe op psychische problematiek en worden personen met dergelijke klachten vaak zelfs in de gevangenis geplaatst. Verzoeker zal geconfronteerd worden met dergelijke vooroordelen en loopt een reëel risico op verstoting uit de maatschappij of detentie, met name gezien zijn afkomst uit een minderheidsgroep Poullo (Peul).
- De afstand tussen Bakoun en Conakry is circa 488 kilometer, afhankelijk van de precieze route en de reis met de auto duurt doorgaans 6 tot 10 uur. Nu verzoeker afhankelijk is van periodieke depot injecties is het niet alleen praktisch, maar ook financieel niet haalbaar om de aanwezig geachte behandeling te verkrijgen.
- Van verzoeker, die blijkens het dossier, al jarenlang verward gedrag en agressie vertoont tijdens psychotische periodes en geen ziekte besef of inzicht heeft kan niet worden verwacht dat hij dit inzicht ineens wel zal hebben bij terugkeer in het land van herkomst en verantwoordelijkheid kan nemen voor het zoeken en nakomen van medische behandeling.”
25. Verweerder stelt dat de standpunten van verzoeker met uitzondering van de afstand tussen Bakoun en Conakry niet zijn onderbouwd en dit wel van verzoeker verwacht mag worden. Verweerder vindt ook dat hij de derdelander tegemoet komt in zijn bewijslast doordat hij in zijn beleid heeft opgenomen welke elementen van belang zijn om aannemelijk te kunnen maken dat de zorg voor de derdelander niet toegankelijk is en hij bovendien bij de beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid steeds uitgaat van een individuele en casuïstische beoordeling. De rechtbank overweegt echter dat verzoeker om zijn standpunten te kunnen onderbouwen, veelal bewijs zal moeten leveren van ‘negatieve feiten’ en omstandigheden die niet aanwezig zijn. Verweerder heeft bijvoorbeeld gesteld dat “niet is gebleken dat verzoeker geen netwerk heeft in Guinee, dat verzoeker geen stukken heeft overgelegd over zijn financiële situatie of de kosten van zijn behandeling, dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij geen beroep kan doen op familieleden of instellingen voor de bekostiging van de behandeling, dat verzoeker zijn stelling dat sprake is van een taboe op psychische problematiek niet heeft onderbouwd”. In het BMA Protocol zijn deze, deels niet-medische, omstandigheden echter wel benoemd als relevant voor de feitelijke toegankelijkheid tot de geïndiceerde behandeling en is vermeld dat deze
niet-medische factoren in het algemeen ook van groot belang kunnen zijn om de voortzetting van de medische behandeling in het land van herkomst te garanderen. Verweerder acht zich evenwel niet gehouden om uit eigen beweging na te gaan of de feitelijke toegang tot de medische behandeling is gewaarborgd en plaatst de stellingen van verzoeker ook niet in de context van algemene landeninformatie. Verweerder acht zich ook niet gehouden om een medisch deskundige onderzoek te laten doen naar het ziektebesef en ziekte-inzicht van verzoeker, terwijl uit de overgelegde stukken hiervoor indicaties blijven en het evident is dat indien dit ontbreekt, dit gevolgen kan hebben voor de voortzetting van de medische behandeling.
26. De rechtbank overweegt dat, indien de noodzakelijke geachte behandeling niet kan worden voortgezet in het land van herkomst omdat verzoeker geen feitelijke toegang heeft tot deze behandeling, naar het oordeel van BMA een medische noodsituatie zal ontstaan. In het beleid van verweerder is vermeld dat de term ‘medische noodsituatie’ wordt gebruikt om de situatie te duiden waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Voor zover het Hof in het arrest X van 22 november 2022 heeft verduidelijkt dat een behandeling, om onder artikel 3 EVRM te vallen, een minimum aan ernst moet hebben, overweegt de rechtbank dat de term ‘medische noodsituatie’ wordt gehanteerd om een behandeling te duiden die een dergelijk minimum aan ernst heeft. Uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt verder dat de voor de toepassing van artikel 4 van het Handvest benodigde ernst gelijk is aan de krachtens artikel 3 EVRM in dezelfde omstandigheden vereiste minimale ernst.
27. Het refoulementverbod omvat de verplichting van de autoriteiten om te voorkomen dat derdelanders in een situatie van overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade te brengen. In artikel 1 van het Handvest is bepaald dat de menselijke waardigheid onschendbaar is. De Uniewetgever heeft niet bepaald dat de inhoud van dit grondrecht en de omvang van de verplichtingen van de autoriteiten om dit grondrecht te eerbiedigen en te beschermen afhankelijk is van de verblijfsstatus van het betreffende individu. Het Hof heeft bovendien onder meer in haar arrest van 4 september 2025 in de zaak Adraren in haar arrest van 17 oktober 2024 in de zaak Araratonder verwijzing naar andere arresten herhaald, zoals ook uit overwegingen 2 en 24 van richtlijn 2008/115 volgt, dat de lidstaten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115 de door het Handvest aan een derdelander toegekende grondrechten en waardigheid moeten eerbiedigen. De rechtbank overweegt dat daarom niet valt in te zien dat de verplichting voor verweerder om op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 rekening te houden met de gezondheid van verzoeker en het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen als hij een terugkeerbesluit wil vaststellen, niet tevens de verplichting zou omvatten om te onderzoeken en te beoordelen of de medische behandeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat er een medische noodsituatie ontstaat feitelijk toegankelijk zal zijn. Verweerder kan verzoeker in dit kader horen en kan zijn verklaringen beoordelen. Verzoeker kan nu weliswaar ook aanvoeren dat hij geen toegang zal hebben tot de medische behandeling die in zijn land van herkomst in het algemeen beschikbaar is. In het geval dat dit onderzoek echter tot de verplichtingen van verweerder behoort, zal dit meebrengen dat indien verweerder niet in staat is om elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van verzoeker zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van zijn ziekte, verweerder geen terugkeerbesluit kan vaststellen en er ook geen terugkeerverplichting ontstaat.
28. Het Hof heeft in het arrest X van 22 november 2022 reeds verduidelijkt dat de betrokken lidstaat zich er van dient te vergewissen dat de betrokkene, wanneer zijn gezondheidstoestand zulks vereist, niet alleen tijdens de verwijdering zelf, maar ook daarna in het land van bestemming zorg ontvangt. De rechtbank meent hieruit af te leiden dat deze vergewisplicht niet alleen de algemene beschikbaarheid van een medische behandeling in het land van bestemming, maar ook de feitelijke toegang hiertoe omvat. Immers alleen die feitelijke toegang voorkomt dat verzoeker wordt onderworpen aan een situatie zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.
29. De rechtbank overweegt dat de precaire bewijspositie voor verzoeker, indien hij zou moeten aantonen dat hij na terugkeer naar Guinee geen toegang zal hebben tot de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen, kan meebrengen dat onvoldoende grondig wordt onderzocht of verzoeker wordt beschermd tegen refoulement en ten gevolge daarvan in strijd met artikel 5 van richtlijn 2008/115 en artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest een terugkeerbesluit wordt vastgesteld en uitgevoerd.
30. De rechtbank wijst er hierbij ook op dat de Medical Country of Origin Information Database van het EUAA niet openbaar toegankelijk is, onder meer omdat de interpretatie van deze gespecialiseerde informatie kennis van medische aangelegenheden in migratieprocedures zou vereisen. Dit betekent dat verzoeker zijn verdedigingsrechten niet ten gronde kan uitoefenen en maar zeer beperkt in staat zal zijn om de juistheid van het BMA-advies voor zover het gaat om de beschikbaarheid van de noodzakelijke medische behandeling te betwisten. Zowel verzoeker als de rechtbank kunnen niet controleren op grond van welke informatie de beantwoording van de landgebonden vragen in het
BMA-advies zijn gebaseerd en welke brondocumenten ter beschikking van BMA staan. Verzoeker heeft aangevoerd dat in het BMA-advies uitsluitend is vermeld dat behandeling door een psychiater aanwezig is maar dat niet is beschreven welke therapieën exact beschikbaar zijn en of deze aansluiten op de problematiek van verzoeker. Verzoeker heeft daaraan toegevoegd dat noch in het rapport van het Ministerie van Volksgezondheid van Guinee, noch in het Algemeen Ambtsbericht Guineeer enige melding wordt gemaakt over (psychische) gezondheidszorg in Guinee. Verweerder heeft hierop op het BMA-advies gewezen en gesteld dat hierin met onderbouwing is gemotiveerd dat de medische zorg die hij nodig heeft aanwezig is in Guinee en verzoeker geen informatie heeft overgelegd die dit weerlegt.
31. In de nationale rechtspraak is in het arrest X van 22 november 2022van het Hof en de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008/115 in dit arrest en in de latere arresten in de zaken Araraten Adrar, vooralsnog geen aanleiding gezien om de bewijslastverdeling met betrekking tot de feitelijke toegang tot noodzakelijke medische behandeling in het land van bestemming te baseren op artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest. De rechtbank meent evenwel dat de verplichtingen die voor verweerder uit deze artikelen voortvloeit, de verplichting omvat om na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat verzoeker in een met artikel 4 van het Handvest-strijdige situatie te komen, na terugkeer ook feitelijk toegankelijk zal zijn. Alleen als dit onderzoek deel uitmaakt van de verplichtingen die verweerder heeft, zal verweerder ten gronde en volledig kunnen voldoen aan zijn verplichting om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank realiseert zich dat verweerder de feitelijke toegang nimmer zal kunnen garanderen. De beoordeling van het refoulementrisico is echter geen exacte wetenschap en zal altijd een zeker speculatief karakter hebben. Dit betekent echter naar het oordeel van de rechtbank niet, dat verweerder minder invulling kan geven aan zijn verplichtingen die volgen uit richtlijn 2008/115 en het Handvest voor de grondrechten door de bewijslast bij verzoeker neer te leggen.
32. Voor zover het Hof in het arrest X van 22 november 2022 heeft overwogen dat een terugkeerbesluit niet kan worden vastgesteld indien er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is, merkt de rechtbank op dat in dat hoofdgeding de passende zorg met medicinale cannabis in Rusland niet was toegestaan. Omdat die zorg dus niet beschikbaar was, is de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid in dat hoofdgeding niet relevant geweest. Dat het Hof in punt 66 van het arrest X het vaststellen van een terugkeerbesluit niet heeft gerelateerd aan de feitelijke toegankelijkheid van passende zorg, betekent, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet dat indien de noodzakelijke zorg wel beschikbaar is, de gezondheidssituatie van de derdelander niet aan het vaststellen van een terugkeerbesluit in de weg kan staan en dat deze feitelijke toegankelijkheid niet onder de verplichtingen die verweerder op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 heeft valt. Uit het arrest X van 22 november 2022 valt dan ook, naar het oordeel van de rechtbank, veeleer af te leiden dat verweerder, omdat uit het BMA-advies blijkt dat de gezondheidstoestand van verzoeker zulks vereist, om te onderzoeken of het refoulementverbod zich tegen de vaststelling en uitvoering van het terugkeerbesluit, moet nagaan of verzoeker in het land van bestemming de noodzakelijke zorg ontvangt en zodoende in staat is om elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van verzoeker zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte en dat wanneer dergelijke twijfels niet kunnen worden weggenomen, verweerder geen terugkeerbesluit kan vaststellen.
33. De rechtbank overweegt tot slot dat het Hof in het arrest X van 22 november 2022 ook voor recht heeft verklaard dat “richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7, alsmede de artikelen 1 en 4, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat (…) de gezondheidstoestand van deze derdelander en de zorg die hij wegens die ziekte op dat grondgebied ontvangt, door de bevoegde nationale autoriteit samen met alle andere relevante gegevens in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het recht van de betrokkene op eerbiediging van zijn privéleven eraan in de weg staat dat jegens hem een terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel wordt uitgevaardigd”. De rechtbank komt, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod, pas toe aan de vraag of het privéleven in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit als de rechtbank kan vaststellen dat het beginsel van non-refoulement niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. Alvorens dit te kunnen beoordelen acht de rechtbank het noodzakelijk dat het Hof nader verduidelijkt wat de omvang van de verplichting voor verweerder is om een medische noodsituatie te voorkomen indien verzoeker zou terugkeren. De prejudiciële vraag van de rechtbank ziet dan ook niet op een nadere uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 van het Handvest en de vraag of het privéleven van verzoeker, waaronder begrepen de medische behandeling die verzoeker in Nederland ondergaat, in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Omdat verweerder niet eerder een terugkeerbesluit jegens verzoeker heeft vastgesteld, ziet de prejudiciële vraag van de rechtbank ook niet op het moeten uitstellen van de uitvoering van een terugkeerbesluit.
Conclusie en prejudiciële vraag
34. Verzoeker, die afkomstig is uit Guinee en de Guinese nationaliteit heeft, heeft een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen in een besluit dat een terugkeerbesluit omvat en waarin een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. In het hoofdgeding beoordeelt de rechtbank het beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen dit besluit.
35. De rechtbank overweegt, voorlopig oordelend, dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming en zal dit in haar einduitspraak motiveren. Doordat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf of vestiging valt verzoeker onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115. De rechtbank moet beoordelen of verweerder een terugkeerbesluit moet vaststellen of dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. Verzoeker was minderjarig ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming. De rechtbank overweegt, voorlopig oordelend, dat het belang van het kind niet in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit en zal ook dit nader motiveren in haar einduitspraak.
36. De rechtbank zal in het hoofgeding eerst beoordelen of het beginsel van
non-refoulement in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit omdat het refoulementverbod absoluut is. De prejudiciële vraag van de rechtbank heeft betrekking op de omvang van de verplichting van verweerder om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, en houdt dan ook geen verband met een nadere uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 van het Handvest en de vraag of het privéleven van verzoeker, waaronder begrepen de medische behandeling die verzoeker in Nederland ondergaat, in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Omdat verweerder niet eerder een terugkeerbesluit jegens verzoeker heeft vastgesteld, ziet de prejudiciële vraag van de rechtbank niet op het moeten uitstellen van de uitvoering van een terugkeerbesluit. De vraag of de verwijdering moet worden uitgesteld op grond van artikel 9, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115 is vooralsnog niet aan de orde in het hoofdgeding omdat de rechtbank eerst moet beoordelen of de gezondheidssituatie van verzoeker in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit.
37. Verweerder moet op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn ook rekening houden met de gezondheidstoestand van verzoeker en verweerder is te allen tijde verplicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen.
38. Verzoeker is gediagnosticeerd met een ongespecificeerd schizofreniespectrum - of andere psychotische stoornis - en er is mogelijk sprake van een posttraumatische stressstoornis. Verzoeker wordt thans in Nederland behandeld voor deze problematiek. Tussen partijen is niet in geschil dat indien verzoeker na terugkeer naar Guinee verstoken zal blijven van deze of een vergelijkbare medische behandeling, er binnen een indicatieve periode van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. Dit volgt uit het BMA-advies dat verweerder heeft doen opmaken om na te gaan of verzoeker kan reizen en om na te gaan of er een medische noodsituatie zal ontstaan als verzoeker moet terugkeren naar Guinee. In de nationale rechtspraktijk wordt met een medische noodsituatie, een situatie die strijdig is met artikel 3 EVRM bedoeld.
39. In het BMA-advies is vermeld dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar is in Guinee. Hiermee wordt bedoeld dat een specifieke medische behandeling (waaronder ook medicatie) aanwezig is op enige plek op een bepaald moment in het gevraagde land van herkomst of land van bestemming. De rechtbank heeft er op gewezen dat BMA dit oordeel baseert op informatie van de Medical Country of Origin Information Database van het EUAA, welke informatie niet kenbaar en niet toegankelijk is voor verzoeker en de rechtbank. Verzoeker kan hierdoor ten aanzien van dit onderdeel van het BMA-advies zijn verdedigingsrechten niet ten volle uitoefenen en de rechtbank kan hierdoor niet controleren op welke informatie dit onderdeel van het advies is gebaseerd en of dit onderdeel van het advies daadwerkelijk volgt uit de geraadpleegde bronnen.
40. Op grond van de nationale rechtspraak en het beleid kan verweerder om rekening te houden met de gezondheidstoestand van verzoeker bij de vaststelling van het terugkeerbesluit, volstaan met het nagaan of de medische zorg die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen in beginsel beschikbaar is Guinee.
41. In de nationale rechtspraktijk ligt de bewijslast van de feitelijke (on)toegankelijkheid van deze noodzakelijke medische behandeling bij de derdelander en draagt de derdelander ook het bewijsrisico omdat dit zou volgen uit het arrest Paposhvili van het EHRM.
42. De rechtbank vraagt zich af, voor zover deze bewijslastverdeling al zou volgen uit het arrest Paposhvili, of het Unierecht méér bescherming aan ernstig zieke derdelanders biedt dan artikel 3 van het EVRM en wijst hierbij op de analyse van advocaat-generaal
P. Pikamäe in zijn conclusie van 9 juni 2022 in de zaak X. Meer in bijzonder vraagt de rechtbank zich af of artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor verweerder omvat om, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, na te gaan of deze noodzakelijke medische behandeling ook daadwerkelijk feitelijk toegankelijk zal zijn voor verzoeker na terugkeer.
43. Het Hof heeft immers reeds verduidelijkt dat het aan de autoriteiten is om alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt of hem te verwijderen, in staat moet zijn elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van die derdelander zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte of van de daardoor veroorzaakte pijn. Het Hof heeft daarbij verduidelijkt dat wanneer dergelijke twijfels niet kunnen worden weggenomen, de bevoegde nationale autoriteit geen terugkeerbesluit kunnen uitvaardigen en uitvoeren.
44. In het hoofdgeding kan de gegronde twijfel dat de terugkeer van verzoeker zal leiden tot een situatie die strijdig is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM, uitsluitend door verweerder worden weggenomen als de noodzakelijke medische behandeling toegankelijk zal zijn voor verzoeker . Indien deze feitelijke toegankelijkheid niet is gewaarborgd, is verweerder niet bevoegd om een terugkeerbesluit vast te stellen. De rechtbank overweegt dat dit er op duidt dat de bewijslast en het bewijsrisico dan ook op verweerder moeten rusten. Indien het Hof het Unierecht aldus verduidelijkt, is de nationale rechtspraktijk op dit punt onverenigbaar met het Unierecht.
45. Indien verzoeker de bewijslast draagt van de feitelijke (on)toegankelijkheid van de medische behandeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat verzoeker na terugkeer in een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM-strijdige situatie terecht komt, en verzoeker dit niet kan onderbouwen, betekent dit dat het beginsel van
non-refoulement niet in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit.
Indien verweerder verplicht is om niet alleen te onderbouwen dat deze noodzakelijk medische behandeling beschikbaar is in Guinee maar ook feitelijk toegankelijk zal zijn en verweerder hierin niet slaagt, staat dit in de weg aan de vaststelling van een terugkeerbesluit.
46. De rechtbank twijfelt of de nationale rechtspraak en het beleid met betrekking tot de bewijslastverdeling van de feitelijke (on)toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg verenigbaar is met het Unierecht. De rechtbank verzoekt het Hof, om het hoofdgeding te kunnen beslechten, dan ook om nadere uitlegging van het Unierecht door de navolgende prejudiciële vraag van de rechtbank te beantwoorden:
“Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor de autoriteiten omvat om, alvorens een terugkeerbesluit jegens een ernstig zieke vreemdeling vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten te voorkomen, feitelijk toegankelijk zal zijn voor deze ernstige zieke vreemdeling in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet?”
47. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.
Beslissing
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 46 geformuleerde vraag;
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vraag door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze verwijzingsuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak.