ECLI:NL:RBDHA:2026:1328

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2326
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting naar Marokko

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, is op 5 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten op 20 januari 2026.

Eiser betoogde dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko bestaat vanwege het tijdsverloop, zijn ongedocumenteerde status en het vermeende gebrek aan voortvarendheid van de minister. De rechtbank stelde vast dat de maatregel eerder rechtmatig was en dat sindsdien de minister meerdere stappen heeft ondernomen, waaronder het indienen van een lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken.

De rechtbank oordeelde dat het enkele tijdsverloop niet leidt tot het ontbreken van zicht op uitzetting. De minister handelt voortvarend door regelmatig vertrekgesprekken te voeren en navraag te doen bij de autoriteiten. Er is geen reden om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2326

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 20 januari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 november 2025 [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 17 november 2025.
4. Eiser voert aan dat er geen sprake is van zicht op uitzetting naar Marokko vanwege het tijdsverloop en omdat eiser ongedocumenteerd is. Daarbij zijn de Marokkaanse autoriteiten over het algemeen niet vrijgevig met het verstrekken van lp’s. Ook voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting naar Marokko. In de vertrekgesprekken zijn door verweerder geen relevante vragen gesteld of zaken besproken die zouden kunnen leiden tot het bespoedigen van de uitzetting. Van belang is hierbij dat eiser meewerkend is en naar zijn beste kunnen antwoordt op de door verweerder gestelde vragen. Verder wordt door verweerder evenmin getracht om tot een presentatie van eiser te komen bij de Marokkaanse autoriteiten. De ervaring leert dat als er een LP wordt verstrekt, daar meestal een presentatie aan vooraf ging.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het algemeen bestaat er zicht op uitzetting naar Marokko. [2] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is. Het enkele tijdsverloop sinds de behandeling van het eerste beroep leidt niet tot de conclusie dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Uit het voortgangsrapport volgt dat verweerder op 5 november 2025 voor eiser een lp-aanvraag heeft gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder heeft hierna meerdere rappels verstuurd, met als meest recente datum van rappel 8 januari 2026. Uit het feit dat de Marokkaanse autoriteiten daar nog niet op hebben gereageerd kan niet worden afgeleid dat zij voor eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet willen meewerken aan de terugkeerprocedure. Het is daarbij aan de Marokkaanse autoriteiten om eventueel een presentatie te verlangen.
6. Eiser stelt ten onrechte dat verweerder tijdens een vertrekgesprek geen relevante vragen heeft gesteld of zaken heeft besproken die zouden kunnen leiden tot het bespoedigen van het uitzettingsproces. Zo wordt in het vertrekgesprek van 4 november 2025 besproken dat voor eiser een reisdocument zal worden aangevraagd en dat hij zal worden aangemeld bij het IOM. [3] In het vertrekgesprek van 6 januari 2026 is besproken wat de huidige stand van zaken is rondom eisers uitzettingsproces. Nu verweerder regelmatig vertrekgesprekken voert met eiser en periodiek navraag doet bij de Marokkaanse autoriteiten naar de lp- aanvraag werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
7. Ook overigens is er geen reden om het voortduren van de maatregel van de bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:21598.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
3.Internationale Organisatie voor Migratie.