Eiser diende op 1 november 2025 een asielaanvraag in, waarna de minister op grond van de Dublinverordening vaststelde dat Kroatië verantwoordelijk was voor de behandeling. De minister verzocht Kroatië om terugname, wat werd geaccepteerd. De minister nam de asielaanvraag niet in behandeling en verlengde vervolgens de overdrachtstermijn omdat eiser uit de opvang was vertrokken en niet had gemeld waarheen, wat werd aangemerkt als onderduiken.
Eiser betoogde dat hij niet doelbewust buiten bereik van de autoriteiten was gebleven, maar door sluiting van de opvanglocatie en gebrek aan informatie over de meldplicht een meldplicht had gemist. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van onderduiken in de zin van de Dublinverordening, omdat eiser niet was geïnformeerd over de meldplicht en slechts kort uit beeld was.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en wees de proceskosten van eiser toe. Er werd geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De uitspraak is gedaan door rechter S. Kompier en griffier S.J.B. ter Beke op 20 mei 2026.