Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13487

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
NL25.16685
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 aanhef en onder c Vw 2000Art. 15 aanhef en onder c KwalificatierichtlijnArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somalische minderheidsstam wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende risico

Eiser, een Somalische staatsburger behorend tot de Begedi-minderheidsstam, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege discriminatie, problemen met Al-Shabaab en een reëel risico op vervolging en ernstige schade niet veilig terug kan keren naar Somalië. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de verklaringen over Al-Shabaab en het ontbreken van een reëel risico op vervolging of ernstige schade.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de verklaringen over Al-Shabaab ongeloofwaardig achtte, onder meer vanwege tegenstrijdigheden in het relaas van eiser, het niet tijdig melden van de dood van zijn stiefzoon en onvoldoende onderbouwing van de dreiging. Ook de vrees voor vervolging wegens discriminatie wegens zijn minderheidsstam wordt niet aannemelijk geacht, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij sociaal en maatschappelijk niet kan functioneren bij terugkeer.

Verder is de vrees voor ernstige schade door willekeurig geweld onvoldoende onderbouwd, mede omdat Mogadishu onder controle staat van de overheid en de algemene veiligheidssituatie niet uitzonderlijk is. De minister hoefde daarom geen verblijfsvergunning regulier te verlenen en mocht een terugkeerbesluit opleggen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid en gebrek aan reëel risico.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16685

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt geen gelijk. De minister heeft niet ten onrechte de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig geacht. Daarnaast heeft de minister mogen concluderen dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico op ernstige schade loopt
.Voor de minister bestond geen aanleiding om aan eiser een verblijfsvergunning regulier toe te kennen en de minister heeft op goede gronden een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 februari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 april 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit, is geboren op [geboortedag] 1997 en behoort tot de Begedi-stam. Eiser heeft verklaard dat hij en zijn familie werden gediscrimineerd vanwege het behoren tot een minderheidsstam. Eisers vader is vertrokken omdat hij bang was dat de discriminatie erger zou worden. Daarna hebben de Abgaal- en Habir Gedir-stam eiser onder druk gezet om de eigendomspapieren van een van zijn vaders huizen te ondertekenen, zodat de Abgaal stam dit kon overnemen. Eiser heeft dit geweigerd. Vervolgens is eiser driemaal benaderd door Al-Shabaab: eerst met de eis om belasting te betalen en vervolgens om zich bij hen aan te sluiten. Beide keren heeft eiser geweigerd. Kort daarna zijn drie gewapende mannen bij het huis van eiser binnengekomen en hebben geschoten, waarbij eisers stiefzoon om het leven is gekomen. Eiser is vervolgens uit het raam geklommen en is ontsnapt. Daarna is eiser enkele weken ondergedoken bij een vriend, waarna hij Somalië heeft verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Discriminatie wegens het behoren tot een minderheidsstam;
3. Problemen met Al-Shabaab.
4.1.
De minister heeft de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeeld aan de hand van Werkinstructie (WI) 2024/6. De minister acht de verklaringen van eiser over zijn identiteit, Somalische nationaliteit, herkomst en het behoren tot de Begedi-stam (asielmotief 1) en de verklaringen over de discriminatie wegens het behoren tot een minderheidsstam (asielmotief 2), geloofwaardig. De minister acht de verklaringen van eiser over de problemen met Al-Shabaab (asielmotief 3) niet geloofwaardig.
4.2.
Over het derde asielmotief stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Dit asielmotief is niet alsnog geloofwaardig omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Eisers verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. [1] De minister werpt eiser tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn ontslag, dat hij niet kan uitleggen wat Al-Shabaab van hem wil en dat hij het bestaan (en de dood) van een stiefzoon tijdens het aanmeldgehoor niet heeft genoemd.
4.3.
Over de geloofwaardig geachte asielmotieven, feiten en omstandigheden stelt de minister zich op het standpunt dat hieruit niet volgt dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft en daaruit ook niet volgt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Mogadishu. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning regulier. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Is WI 2024/6 in strijd met het Unierecht?
5. Eiser betoogt dat de WI 2024/6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie daarover. Eiser verwijst in dit verband onder meer naar de (verwijzings)uitspraak van 7 januari 2025 [2] van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats is in haar uitspraken van 25 juni 2025 en 8 september 2025 tot het oordeel gekomen dat WI 2024/6, zoals door de minister uitgelegd, in overeenstemming is met het Unierecht. [3] In dat wat eiser betoogt ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel.
Acht de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig heeft geacht. Hiertoe betoogt eiser dat zijn verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat voor het ontbreken van documenten een verschoonbare reden is gegeven. Eiser betwist het standpunt van de minister dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn ontslag en dat hij niet kan uitleggen wat Al-Shabaab van hem wilt. Dat eiser tijdens het aanmeldgehoor het bestaan en de dood van een stiefzoon niet heeft genoemd, komt volgens eiser doordat hij van de gehoorambtenaar zijn verhaal ‘kort moest houden’ en omdat de stiefzoon al dood was toen hij naar Nederland kwam. Over het ontslag betoogt eiser dat hij weliswaar ontslagen was, maar dat hij nog wel naar zijn werk ging en dat hij werkzaamheden deed voor verschillende instanties in verschillende periodes. Ter verdere onderbouwing heeft eiser twee verklaringen over zijn werk ingebracht.
Eiser betoogt verder dat hij tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat Al-Shabaab hem wilde inlijven en dat zij geld van hem eisten. Daarnaast wijst eiser erop dat de correcties en aanvullingen bedoeld zijn om aanvullingen te doen en dat hem daarom ten onrechte is tegengeworpen dat hij – wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd – eerder had moeten verklaren. Volgens eiser is wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd een aanvulling op wat hij eerder heeft verklaard. Bovendien komt volgens eiser de handelswijze van Al-Shabaab overeen met wat hij heeft verklaard.
Stiefzoon niet genoemd tijdens het aanmeldgehoor
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over het niet noemen van de stiefzoon tijdens het aanmeldgehoor niet samenhangend en aannemelijk zijn. De rechtbank wijst erop dat de minister eiser volgt in de stelling dat hij van de gehoorambtenaar zijn verhaal kort moest houden, waardoor hij tijdens het aanmeldgehoor de dood van de stiefzoon niet heeft genoemd bij de reden van de asielaanvraag. Met de minister is de rechtbank het eens dat dit echter niet wegneemt dat eiser heeft nagelaten te verklaren over deze stiefzoon bij de vraag met wie hij op het laatste adres heeft gewoond. [4] Tijdens het nader gehoor heeft eiser als reden daarvoor gegeven dat hij dacht dat de vraag in de tegenwoordige tijd was gesteld en dat de stiefzoon ten tijde van het aanmeldgehoor al was overleden. [5] In dat verband stelt de minister zich terecht op het standpunt dat deze vraag niet ziet op de tegenwoordige tijd, aangezien eiser ten tijde van het aanmeldgehoor niet meer op dat adres woonde. Dat de stiefzoon al dood was toen eiser in Nederland was, doet daar niet aan af, omdat de gehoren, waaronder het aanmeldgehoor, gaan om de gebeurtenissen in Somalië die volgens eiser hebben geleid tot zijn vertrek. Daar hoort bij dat eiser kan verklaren met wie hij op het laatste adres heeft gewoond. Daar komt nog eens bij dat eiser tijdens het aanmeldgehoor de stiefzoon ook niet heeft genoemd bij de vraag of er relevante gezinsleden zijn overleden. [6] Eiser heeft enkel verklaard dat zijn oma, opa en oom zijn overleden. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet wordt ingezien waarom eiser de stiefzoon in dat verband niet heeft genoemd, aangezien deze stiefzoon bij eiser zou wonen.
Tegenstrijdig verklaard over het ontslag
6.2.
Eiser heeft verklaard dat hij bij de overheid heeft gewerkt als jongerenvoorzitter van de lokale regering. [7] Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser driemaal verklaard dat hij in 2021 is ontslagen. Bij de derde keer heeft eiser specifiek verklaard dat zijn laatste werkdag in maart 2021 was. [8] Eiser heeft deze verklaringen niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor. Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter verklaard dat zijn laatste werkdag eind 2022 was [9] en dat hij in 2022 door Al-Shabaab werd gebeld, terwijl hij aan het werk was. [10] De minister heeft eiser geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid, waarop eiser heeft verklaard dat hij tijdens het aanmeldgehoor moe was en dat het 2022 (en niet 2021) moet zijn. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaring onvoldoende is om deze tegenstrijdigheid te verklaren. De minister heeft daarbij van belang mogen achten dat de datum maart 2021 niet overeenkomt met zowel de maand als het jaar die eiser later in het nader gehoor heeft genoemd. Ook heeft de minister van belang mogen achten dat eiser een werkpas heeft overgelegd die geldig was tot 2021 en uit de correcties en aanvullingen op het nader gehoor blijkt dat eiser in 2021 niet meer welkom was op het werk en ook niet betaald werd. Niet valt in te zien hoe hij dan in 2022 door Al-Shabaab kan zijn gebeld toen hij aan het werk was. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat van eiser verwacht mag worden dat hij zo volledig mogelijk antwoord geeft op de vragen en eventuele onduidelijkheden direct opheldert, te meer omdat volgens eiser zijn werkzaamheden de oorzaak vormden voor de gestelde problemen met Al-Shabaab en dat eiser dit niet heeft gedaan. Daarnaast heeft de minister op de zitting toegelicht dat de overgelegde verklaringen niet leiden tot een ander oordeel. Uit de verklaring van [persoon A] van 27 januari 2026 blijkt enkel blijkt dat eiser tot oktober 2020 heeft gewerkt. Uit de verklaring van [persoon B] van 29 januari 2026 volgt dat eiser tot 10 juli 2022 zou hebben gewerkt. De minister heeft over deze verklaringen zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat daaruit de door eiser geschetste tijdlijn niet blijkt en dat deze daarom geen bevestiging vormen van de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab. Gelet op het voorgaande stelt de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer hij is ontslagen.
Over het niet kunnen uitleggen wat Al-Shabaab van eiser wilde
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser in het nader gehoor niet duidelijk heeft kunnen verklaren waarom Al-Shabaab in hem geïnteresseerd was en wat deze groepering van hem wilde. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser meerdere malen tijdens het nader gehoor in de gelegenheid is gesteld om duidelijk en concreet te verklaren wat Al-Shabaab van eiser wilde en wat de inhoud van de telefoongesprekken met Al-Shabaab was. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij driemaal telefonisch door Al-Shabaab is benaderd. Over de eerste keer heeft eiser verklaard dat hij gebeld werd over het betalen van een som geld. [11] Over de tweede keer heeft eiser verklaard dat Al-Shabaab heeft gezegd dat eiser voor hen moest werken en dat hij opgehaald zou worden. [12] Over de derde keer heeft eiser verklaard dat Al-Shabaab heeft gezegd dat hij geluk heeft gehad dat hij kon ontsnappen en dat ze hem zouden pakken. [13]
Er is herhaaldelijk doorgevraagd over waarom eiser specifiek zo interessant zou zijn voor Al-Shabaab en wat voor vaardigheden of kennis eiser heeft dat maakt dat Al-Shabaab in hem geïnteresseerd zou zijn. De minister stelt zich in dat verband niet ten onrechte op het standpunt dat eiser summier en weinig gedetailleerd heeft verklaard. [14] Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat Al-Shabaab met hem wilde samenwerken in de gemeente, omdat hij kennis heeft van de gemeente en omdat hij veel jongeren kent. [15] Maar eiser kan vervolgens niet duidelijk verklaren waarom dat nou maakt dat Al-Shabaab in hem geïnteresseerd zou zijn.
In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft eiser wel (meer) verklaard over wat Al-Shabaab van hem wilde. Hij heeft daarin het volgende geschreven:
“Al Shabaab zei dat ik infiltrant zou worden om informatie te krijgen van
mensen in de regering zoals adressen, telefoonnummers etc. Ook wilden zij dat ik jongeren
zou rekruteren/adviseren om naar Al Shabaab te gaan. Ze vonden het ook handig dat ik
toegang tot regeringsgebouwen heb om bommen te plaatsen etc.” [16]
Uit deze verklaring blijkt dat Al-Shabaab van eiser verlangde dat hij als infiltrant zou opereren om informatie te verzamelen over politieke figuren, zoals adressen en telefoonnummers, dat hij jongeren zou rekruteren en dat hij vanwege zijn toegang tot regeringsgebouwen bommen zou kunnen plaatsen. Daarover stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser tijdens het nader gehoor deze redenen niet heeft genoemd en dat deze informatie niet maakt dat eiser wel voldoende heeft verklaard over waarom hij door Al-Shabaab werd benaderd. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat van eiser verwacht mag worden dat hij de genoemde redenen in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor, eerder en duidelijker naar voren had gebracht. Daarvoor heeft hij, zoals hiervoor is overwogen, voldoende de gelegenheid gehad.
Daarnaast is de rechtbank het met de minister eens dat niet gevolgd wordt dat Al-Shabaab eiser wilde gebruiken vanwege zijn werk bij de overheid, aangezien hij dit werk niet meer deed. Immers, gelet op wat onder 6.2 is overwogen, wordt eiser niet gevolgd in de verklaring dat hij tot eind 2022 heeft gewerkt. De minister stelt zich in dit verband niet ten onrechte op het standpunt dat onduidelijk blijft hoe eiser, zonder de toegang tot overheidsinformatie, toch volgens Al-Shabaab over de gewenste informatie zou kunnen beschikken. Daarnaast stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat van eiser verwacht mag worden dat hij de genoemde redenen in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor, eerder en duidelijker naar voren had gebracht.
Daarnaast is de rechtbank het met de minister eens dat de genoemde redenen in de correcties en aanvullingen meer zijn dan alleen een correctie en/of aanvulling, omdat eiser met geheel nieuwe redenen komt.
Conclusie
6.4.
De minister heeft zich op grond van het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Daarom hoefde de minister eiser niet te volgen in zijn relaas dat hij problemen met Al-Shabaab heeft ondervonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister eisers vrees voor vervolging terecht niet aannemelijk geacht?
7. Eiser voert aan dat hij, anders dan de minister stelt, aangemerkt moet worden als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij daarom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn afkomst. Volgens eiser heeft hij te vrezen voor vervolging door de grote stammen wegens zijn bezittingen en omdat hij behoort tot een minderheidsstam. Dit maakt dat eiser te maken zal hebben met verregaande discriminatie die een dusdanige ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor hem onmogelijk zal zijn om bij een onverhoopte terugkeer op sociaal en maatschappelijk gebied normaal te kunnen functioneren. Dat hij in het verleden voor de overheid heeft gewerkt wil niet zeggen dat dit bij een eventuele terugkeer weer zo zal zijn. Omdat zijn vader niet langer in beeld is, staat hij er verder alleen voor. Eiser heeft dus geen netwerk om op terug te vallen. Daarnaast heeft eiser te vrezen voor Al-Shabaab, omdat hij heeft geweigerd zich bij hen aan te sluiten.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister niet ten onrechte de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig heeft geacht. [17] Gelet daarop stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet gevolgd wordt in de vrees voor vervolging vanwege de problemen met Al-Shabaab.
Discriminatie vanwege etniciteit
7.2.
De minister merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. [18]
7.3.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de discriminatie die eiser in Somalië heeft ervaren, niet voormelde ‘drempel van vervolging’ haalt. De minister heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij, vanwege het feit dat hij tot een minderheidsstam behoort, in Somalië zodanig in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt dat hij daardoor onmogelijk op maatschappelijk en sociaal niveau kon functioneren. De minister heeft er hierbij terecht op gewezen dat eiser in Somalië universitair geschoold is en dat hij eerder voor de overheid heeft gewerkt en dus een baan heeft kunnen verkrijgen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom hij in de toekomst niet opnieuw in zijn eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien, omdat zijn startpositie immers onveranderd is gebleven. De omstandigheid dat zijn vader is overleden, doet hier niets aan af omdat dit niets verandert aan die startpositie. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij de hulp van zijn vader nodig heeft gehad bij het kunnen volgen van zijn opleiding en het verkrijgen van werk. De minister heeft niet ten onrechte de stelling van eiser dat zijn langdurige afwezigheid uit Somalië een groter gevaar zou opleveren, niet gevolgd, omdat hij niet concreet heeft gemaakt waarom die omstandigheid een wezenlijk risico met zich mee zou brengen. Tot slot heeft de minister zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk geen netwerk meer heeft, omdat hij een vrouw in Somalië heeft en niet is onderbouwd dat hij van haar is gescheiden.
7.4.
Over het behoren tot een minderheidsstam is de rechtbank het met de minister eens dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij bij terugkeer zal worden vermoord vanwege zijn afkomst. De eerdere confrontatie met de Abgaal toont aan dat eiser weerstand heeft kunnen bieden, zodat geen reden bestaat om aan te nemen dat dit bij terugkeer anders zou zijn. Het gestelde ontslag van eiser vanwege zijn afkomst is enkel gebaseerd op een vermoeden van eiser zelf, maar hij heeft dit niet nader onderbouwd. Daarnaast stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de bronnen over de clanstructuur in Somalië geen bewijs vormen voor het standpunt dat eiser persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging, omdat dit immers gebaseerd is op algemene informatie en niet op informatie die persoonlijk op eiser ziet.
7.5.
Gelet op het voorgaande stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser de vrees voor vervolging vanwege zijn afkomst en vanwege de problemen met Al-Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister eisers vrees voor ernstige schade bij terugkeer terecht niet aannemelijk geacht?
8. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt “vanwege het willekeurige geweld en mede gelet op zijn persoonlijke situatie”. Eiser betoogt in dit verband dat hij behoort tot een minderheidsclan, dat hij geen netwerk, geen geld en geen huis heeft en dat hij door de stammen Abgaal en Habir Gedir en Al-Shabaab bedreigd wordt. De door eiser aangehaalde bronnen in de zienswijze en in de beroepsgronden ondersteunen het gevaar dat Al-Shabaab veroorzaakt. Daarnaast betoogt eiser dat hij los van het voorgaande te vrezen heeft voor willekeurig geweld in Somalië.
8.1.
Bij de vraag of iemand een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn vanwege willekeurig geweld dan zijn er drie gradaties van willekeurig geweld:
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Bij de hoogste gradatie, wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. Als er is sprake van een relatief hoger niveau of een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dan is de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het betreffende gebied op zichzelf niet meer voldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De vreemdeling moet in dat geval aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8.2.
Het is niet duidelijk geworden of eiser van mening is dat de gradatie a, b of c zich voordoet in Mogadishu.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Mogadishu louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Er is dus geen sprake van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Uit het Algemeen Ambtsbericht 2025 over Somalië blijkt dat Mogadishu niet onder controle staat van Al-Shabaab, maar juist onder controle van de Somalische overheid staat. Hiermee is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van de minister is vastgelegd. [19] Verder staat in het rapport ‘Country Guidance: Somalia’ van het EUAA [20] van 2 oktober 2025 dat er een ‘high level of indiscriminate violence’ is in de regio Benadir/Mogadishu, maar dat niet kan worden geconcludeerd dat de enkele aanwezigheid in deze regio voldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Voorts hebben verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank recent reeds geoordeeld dat de veiligheidssituatie in Mogadishu niet dusdanig is verslechterd dat van de hoogste gradatie van willekeurig geweld moet worden uitgegaan. [21] In dat geval blijft het aan eiser om op basis van persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer.
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Mogadishu. De rechtbank heeft al geoordeeld dat de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab ongeloofwaardig heeft mogen achten. Daarnaast heeft de minister de vrees vanwege het behoren tot een minderheidsclan, de discriminatie en het ontbreken van een netwerk al beoordeeld in het kader van het vluchtelingschap. [22] Eiser heeft geen nadere onderbouwing gegeven die aanleiding geeft om een verhoogd reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Overigens valt zowel noch uit het Algemeen Ambtsbericht noch uit het rapport van het EUAA af te leiden dat de omstandigheden die eiser aankaart risicoverhogend werken. De stelling van eiser op de zitting dat hij bij terugkeer vaker naar buiten moet en vaker boodschappen zal doen, waardoor hij een groter risico op een aanslag loopt, volgt de rechtbank niet, omdat eiser deze speculatieve stelling niet nader heeft onderbouwd. Ook de overgelegde bronnen van eiser bieden geen onderbouwing voor eisers gestelde persoonlijke vrees bij terugkeer. Eiser heeft namelijk verwezen naar bronnen die de algemene situatie als gevolg van het optreden van Al-Shabaab in Somalië beschrijven. Eiser heeft geen andere persoonlijke omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt.
8.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister aan eiser een verblijfsvergunning regulier moeten verlenen?
9. Eiser voert verder aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier.
9.1.
Hoewel eiser heeft aangekaart dat hij een vriendenkring heeft opgebouwd, dat hij de Nederlandse taal leert, vrijwilligerswerk bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers verricht en een diploma heeft behaald, stelt de minister zich over deze omstandigheden terecht op het standpunt dat die onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor verblijf op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, humanitair tijdelijke gronden of mensenhandel. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit
10. Eiser voert tot slot aan dat de minister ten onrechte aan hem een terugkeerbesluit heeft opgelegd, omdat Somalië geen veilig land is om naar toe terug te keren. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waar eiser zich in Somalië zou moeten vestigen en in welke omstandigheden hij daar terecht zal komen. Ter onderbouwing van dit betoogt verwijst eiser naar het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, AA, [23] en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 15 november 2024. [24]
10.1.
Ten aanzien van de vraag of de minister een terugkeerbesluit mocht opleggen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank verwijst allereerst naar wat zij heeft overwogen onder 8.1, 8.2 en 8.3. Daarnaast volgt uit het arrest AA dat geen terugkeerbesluit mag worden uitgevaardigd als is vastgesteld dat uitzetting niet mogelijk is in verband met het beginsel van non-refoulement. In dit geval is niet gebleken van een dergelijk vaststelling, waardoor het beroep van eiser op dit arrest geen doel treft. De verwijzing naar de uitspraak van 15 november 2024 treft evenmin doel, omdat in die zaak sprake was van het zogenoemde unierechtelijke openbare orde-criterium, waarbij al was vastgesteld dat de vreemdeling bij terugkeer naar Syrië het risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Deze omstandigheden spelen geen rol in de zaak van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De minister verwijst naar artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
2.MK van de Rb Den Haag, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136.
4.Aanmeldgehoor, p. 12.
5.Nader gehoor, p. 16.
6.Aanmeldgehoor, p. 12.
7.Aanmeldgehoor, p. 8.
8.Aanmeldgehoor, p. 8-9.
9.Nader gehoor, p. 19.
10.Nader gehoor, p. 10.
11.Nader gehoor, p. 10.
12.Nader gehoor, p. 12.
13.Nader gehoor, p. 12.
14.Vergelijk ook Rb. Den Haag (zp Arnhem) 25 jun i 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149, onder 13.2.
15.Nader gehoor, p. 26 en 27.
16.Correcties en aanvullingen, p. 4.
17.Rechtsoverweging 6.1 e.v..
18.Dit staat in paragraaf C2/3.2.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
19.Zo ook Rechtbank Den Haag (Zittingsplaats Arnhem) 12 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24019, r.o. 9.1 overgenomen door de Afdeling 8 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:86, r.o. 1.
20.European Agency for Asylum.
21.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17688 en van zittingsplaats Middelburg van 11 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10303.
22.Rechtsoverweging 7.3 en 7.4.
23.ECLI:EU:C:2023:540.