Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13489

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26588
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens onttrekkingsrisico

De minister van Asiel en Migratie legde op 11 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 19 mei 2026 via een beeldverbinding.

Eiser voerde aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag had plaatsgevonden, omdat zijn identiteit al was vastgesteld voordat hij werd opgehouden. De rechtbank oordeelde echter dat eiser geen identiteitsdocument bij zich had tijdens de ophouding, waardoor de minister terecht artikel 50, tweede lid, Vw 2000 toepaste. De beroepsgrond faalde.

De minister stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het verkrijgen van gegevens voor de asielaanvraag en noemde meerdere zware en lichte gronden. Eiser betwistte alleen de grond dat hij onvoldoende meewerkte aan het vaststellen van zijn identiteit. De rechtbank vond de overige gronden feitelijk juist en voldoende om de bewaring te dragen.

Eiser stelde dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, omdat hij asiel wilde aanvragen. De rechtbank vond dat de minister dit terecht had afgewezen vanwege het onttrekkingsrisico, gezien eerdere situaties waarin eiser met onbekende bestemming vertrok.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26588

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Heeft de ophouding op juiste grondslag plaatsgevonden?
1. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, terwijl zijn identiteit reeds was vastgesteld voordat hij werd overgenomen en opgehouden. Dit is een gebrek in het voortraject, wat ertoe moet leiden dat er een belangenafweging plaatsvindt.
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ophouding op een juiste grondslag plaatsgevonden. Eiser had geen identificerend document of andere documenten onder zich waaruit zijn identiteit bleek. [1] Eisers betoog – dat zijn identiteit vaststond voordat hij werd overgenomen en opgehouden – leidt niet tot een ander oordeel. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt immers dat bij de ophouding de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling tot uitgangspunt mogen worden genomen, maar dat dit niet betekent dat die identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard. [2] Tijdens de ophouding beschikte betrokkene niet over enig identiteitsdocument, zodat de minister hem met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 mocht ophouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser heeft zware grond 3d betwist en daartoe aangevoerd dat zijn identiteit inmiddels vaststaat. Deze grond kan hem daarom niet langer worden tegengeworpen.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a, 3b en 3c en de lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zware gronden 3a en 3b feitelijk juist.
Zware grond 3a is feitelijk juist, omdat eiser geen reisdocumenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij legaal Nederland is ingereisd. Verder is zware grond 3b feitelijk juist. Eiser heeft zich niet direct gemeld bij de korpschef toen hij Nederland binnenkwam. Daarnaast is hij meermaals met onbekende bestemming vertrokken.
2.3.
Zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 te kunnen dragen. [3] Wat eiser verder heeft aangevoerd, kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hij heeft namelijk aangegeven dat hij asiel wil aanvragen. In dat kader wil hij graag beschikbaar zijn. Er had daarom kunnen worden volstaan met een meldplicht.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich in de maatregel voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De stelling van eiser dat hij zich in het kader van zijn asielaanvraag beschikbaar zal houden en zal voldoen aan een meldplicht als die hem wordt opgelegd, heeft de minister naast zich neer kunnen leggen. Eiser heeft meerdere keren asiel gevraagd en de minister stelt terecht dat eiser tijdens die procedures meermaals met onbekende is bestemming. De minister wil voorkomen dat dit opnieuw gebeurt. Hij was daarom niet gehouden om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de M105-A, proces-verbaal van ophouding en onderzoek op grond van artikel 50 van Pro de Vw 2000.
2.ABRvS 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3719.
3.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (