Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13494

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
NL25.46053
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000Art. 31 lid 6 sub d Vw 2000paragraaf C1/4.3.2.3 Vreemdelingencirculaire 2000artikel 15 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en niet tijdig indienen

Eiser, afkomstig uit Saudi-Arabië en kort verblijvend in Somalië, vroeg asiel aan in Nederland. Hij stelde dat hij bedreigd werd door een neef die lid is van Al-Shabaab en vreest bij terugkeer te worden gedood. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege ongeloofwaardigheid van de problemen met Al-Shabaab, het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging en het niet tijdig indienen van de asielaanvraag.

De rechtbank oordeelde dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in overeenstemming is met het Unierecht. De verklaringen van eiser over zijn problemen met Al-Shabaab waren wisselend, vaag en onvoldoende onderbouwd. Ook het hogere niveau van willekeurig geweld in Mogadishu werd door de rechtbank niet bevestigd, en eiser kon geen verhoogd individueel risico aantonen.

Ten slotte was het niet tijdig aanvragen van asiel niet voldoende gemotiveerd, ondanks de zorg voor zijn ernstig zieke neef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de asielaanvraag definitief af.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46053

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. Ook is de minister terecht tot de conclusie gekomen dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Tot slot heeft de minister de aanvraag terecht kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiser niet zo spoedig mogelijk asiel heeft ingediend. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Deze uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is geboren en opgegroeid in Saudi-Arabië. In april 2019 is hij Saudi-Arabië uitgezet omdat hij geen verblijfsvergunning had. In Somalië heeft eiser ruim twee maanden verbleven. De eerste periode verbleef hij bij zijn neef [naam neef 1] en zijn tante in Mogadishu. Nadat zijn neef [naam neef 1] werd gearresteerd, is eiser benaderd door zijn andere neef [naam neef 2], die lid is van Al-Shabaab. Die vroeg eiser om een klusje voor hem te doen. Dit heeft eiser geweigerd. Vervolgens is eiser twee keer telefonisch door hem bedreigd. Daarom heeft eiser besloten Somalië te verlaten. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser te worden gedood door zijn neef of de personen waarmee hij werkt.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met Al-Shabaab.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn problemen met Al-Shabaab niet. Eiser heeft zijn problemen namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielrelaas volledig onderbouwen. De minister heeft vervolgens alsnog beoordeeld of het asielmotief geloofwaardig is, maar dit is niet het geval. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder voldoet eiser niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw. Eiser heeft namelijk niet zo spoedig mogelijk asiel aangevraagd. De minister heeft daarom alleen beoordeeld of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens de minister is dat niet het geval. Omdat eiser zich niet zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland heeft gemeld om asiel aan te vragen, heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Is de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
5. Eiser betoogt allereerst dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in Werkinstructie 2024/6 [1] (WI 2024/6) in strijd is met het Unierecht.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de door de minister toegepaste, en in WI 2024/6 opgenomen, geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met het Unierecht. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 [2] en 8 september 2025. [3]
Heeft de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn verklaringen over zijn problemen met Al-Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, en dat daarmee niet voldaan wordt aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
Moment waarop problemen met Al-Shabaab naar voren zijn gebracht
6.1.
Eiser betoogt allereerst dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet van begin af aan heeft verklaard over zijn problemen met Al-Shabaab. Zo werpt de minister hem ten onrechte tegen dat hij tijdens zijn gesprek met de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) ontkennend heeft geantwoord op de vraag of hij ooit is benaderd door een groepering. Aan hem is namelijk niet de vraag gesteld of hij is
benaderd dooreen groepering, maar of hij
aangesloten isgeweest bij een groepering. Aangezien dit niet het geval was, heeft hij daarop ontkennend geantwoord.
Verder kan de minister hem niet tegenwerpen dat hij tijdens het aanmeldgehoor niet heeft verklaard over zijn persoonlijke problemen met Al-Shabaab. Aan hem is namelijk expliciet meegedeeld dat hij kort diende in te gaan op zijn asielmotieven en dat hij tijdens het nader gehoor alle tijd zou krijgen om zijn asielmotieven toe te lichten.
Tot slot merkt eiser op dat hij zowel tijdens het gehoor met de AVIM als tijdens het aanmeldgehoor geen advocaat had. Onmiddellijk nadat hij er één toegewezen kreeg, heeft hij zijn ondervonden persoonlijke problemen met Al-Shabaab kenbaar gemaakt door middel van de correcties en aanvullingen. Dit was veertien maanden voorafgaand aan het nadere gehoor.
6.2.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister eiser terecht tegenwerpt dat het opvallend is dat eiser pas tijdens het nader gehoor (althans pas na het aanmeldgehoor) heeft verklaard over zijn persoonlijke problemen met Al-Shabaab. Tijdens het gehoor met de AVIM is immers aan eiser gevraagd of hij is
benaderd dooreen groepering. Hij heeft toen verklaard dat hij niet is benaderd, ook niet door Al-Shabaab. [4] Dat deze vraag getolkt zou zijn als zijnde de vraag of eiser zich ooit heeft
aangesloten bijeen groepering, is niet waarschijnlijk omdat het gaat om een wezenlijk andere vraag en eiser heeft verklaard de tolk goed te verstaan. [5] Bovendien zou het antwoord van eiser op deze vraag dan ook onjuist vertaald of getolkt moeten zijn. Zijn antwoord “nee nooit, ook niet door Al-Shabaab” [6] , is namelijk geen logisch antwoord op de vraag of hij ooit aangesloten is geweest bij een groepering. Daar komt bij dat eiser in het aanmeldgehoor wel heeft verklaard dat hij Somalië heeft verlaten omdat het land onveilig is, dat er aanslagen worden gepleegd en dat hem is verteld over een groep genaamd Al-Shabaab, maar hij heeft vervolgens niet verklaard ook persoonlijke problemen met Al-Shabaab te hebben gehad. De uitleg die eiser in de correcties en aanvullingen voor deze verklaringen heeft gegeven, heeft de minister terecht onvoldoende gevonden.
Verklaringen over [naam neef 1] en [naam neef 2]
6.3.
Eiser betoogt verder dat de minister zijn verklaringen over zijn neven [naam neef 1] en [naam neef 2] ten onrechte vaag, summier en ongerijmd vindt. De minister werpt hem in dat kader ten onrechte tegen dat hij wisselend heeft verklaard over het aantal dagen dat hij met zijn neef [naam neef 1] mee is geweest in de tuktuk en wat zijn neef in de tuktuk vervoerde. Ook acht de minister het ten onrechte ongerijmd dat hij mee is gegaan met zijn neef [naam neef 1] op de tuktuk ondanks dat hij was gewaarschuwd om zo min mogelijk buiten te komen om Al-Shabaab te ontlopen. Tot slot stelt eiser dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen details weet over de arrestatie van zijn neef [naam neef 1]. De minister heeft hierbij geen rekening gehouden met het referentiekader. Het stellen van sommige vragen aan zijn tante is namelijk niet respectvol en gebruikelijk in de Somalische cultuur. Bovendien had eiser genoeg aan zijn hoofd met zijn eigen angsten en zijn pogingen om Somalië zo snel mogelijk te verlaten. Dat het misschien in de lijn der verwachting had gelegen om door te vragen naar de arrestatie van zijn neef [naam neef 1], omdat zijn neef, naast zijn tante, de enige persoon is die hij kent in Somalië, maakt niet dat het gehele asielmotief ongeloofwaardig kan worden geacht.
6.4.
De rechtbank oordeelt allereerst dat de minister eiser terecht tegenwerpt dat hij wisselend heeft verklaard over het aantal dagen dat hij mee is geweest met de tuktuk. In het nader gehoor heeft eiser namelijk eerst verklaard dat hij ongeveer vijf keer is mee geweest [7] en daarna dat hij drie keer is mee geweest. [8] Nadat de hoormedewerker eiser met deze tegenstrijdige verklaring confronteerde, heeft eiser verklaard “Ik heb vijf keer gezegd. Precies weet ik het niet. Tussen de drie en de vijf keer ben ik met hem mee geweest”. [9] De minister heeft de enkele correctie in de correcties en aanvullingen onvoldoende uitleg kunnen vinden voor deze wisselende verklaringen. Eiser heeft namelijk niet uitgelegd waarom het zou gaan om een fout of een eventuele miscommunicatie.
6.5.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister eiser terecht tegenwerpt dat hij wisselend heeft verklaard over de lading van de tuktuk van zijn neef [naam neef 1]. Tijdens het nader gehoor heeft eiser op de vraag wat zijn neef vervoerde met zijn tuktuk namelijk eerst verklaard dat hij dacht dat zijn neef mensen vervoerde en niet wist of hij ook spullen meenam. [10] Nadat de hoormedewerker eiser vroeg waarom hij dit niet zeker weet – nu hij meerdere dagen mee zou zijn geweest – heeft hij verklaard dat zijn neef de keren dat hij meeging bestellingen van pasta en qat ophaalde en bezorgde. [11] Op de vraag van de hoormedewerker of eiser dus niet heeft gezien dat hij mensen vervoerde, heeft eiser verklaard dat zijn neef die keren geen mensen kon vervoeren omdat hij mee was. [12] Ook met de toelichting van eiser in de correcties en aanvullingen, blijven deze verklaringen wisselend.
6.6.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister het ongerijmd kan vinden dat eiser op advies van zijn neef en tante zo min mogelijk buiten kwam om Al-Shabaab te ontlopen, maar vervolgens wel meerdere keren met zijn neef op de tuktuk door Mogadishu reed. Eiser heeft namelijk verklaard dat hem werd geadviseerd om niet naar buiten te gaan, omdat het gevaarlijk was en Al-Shabaab actief was. [13] Dat zijn neef hem heeft gevraagd voor de ritjes, en dat er verder niets is voorgevallen tijdens de ritjes, doet aan de ongerijmdheid van eisers verklaring niets af.
6.7.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister eiser niet ten onrechte tegenwerpt dat hij vaag heeft verklaard over de omstandigheden rondom de arrestatie van zijn neef [naam neef 1]. Zo weet eiser niet wanneer zijn neef is opgepakt, hoe zijn tante heeft ontdekt dat zijn neef was meegenomen, door wie hij is meegenomen of gearresteerd, wat voor spullen hij bij zich had en of zijn tante na de arrestatie contact met hem kon hebben. [14] Hoewel eiser niet aanwezig was bij de arrestatie en geen gedetailleerde verklaringen van hem verwacht worden, had van hem verwacht mogen worden dat hij zich op de hoogte had laten brengen van nadere informatie omtrent zijn neef en zijn arrestatie. Dit te meer omdat eiser in angst en onzekerheid verkeerde en zijn tante en neef zijn enige contacten waren, en omdat eiser heeft verklaard dat hij vanwege de arrestatie van zijn neef [naam neef 1], een telefoontje zou hebben gekregen van zijn andere neef [naam neef 2] die aangesloten zou zijn bij Al-Shabaab. Uit de verklaringen van eiser blijkt echter niet dat hij navraag heeft gedaan naar de situatie rondom zijn arrestatie of wat er na zijn vertrek uit Somalië is gebeurd. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet valt in te zien dat eiser in zulke omstandigheden geen navraag heeft gesteld omdat dat niet gepast zou zijn in de Somalische cultuur.
Tussenconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling
6.8.
Gelet op het voorgaande heeft de minister de verklaringen over de problemen van eiser met Al-Shabaab terecht ongeloofwaardig geacht. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat eiser niet heeft betwist dat hij vaag en summier heeft verklaard over zijn neef [naam neef 2] die aangesloten zou zijn bij Al-Shabaab en die eiser, na de arrestatie van zijn neef [naam neef 1], zou hebben benaderd als gevolg waarvan eiser Somalië heeft verlaten. Deze onderdelen van het asielrelaas zijn daarom bij de beoordeling van eisers vrees voor vervolging of ernstige schade in Somalië terecht buiten beschouwing gelaten.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
7. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade. Tijdens de zitting heeft eiser verduidelijkt dat hij heeft willen betogen dat in Mogadishu sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld en dat hij vanwege zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld.
Niveau van willekeurig geweld in Mogadishu
7.1.
Eiser stelt in dat kader allereerst dat uit het Country Guidance-rapport over Somalië van de European Union Agency for Asylum (EUAA) van oktober 2025 (EUAA-rapport van oktober 2025) [15] volgt dat sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld in Mogadishu. Dit is een hoger niveau dan op dit moment wordt aangenomen in het landenbeleid en het Algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025 (ambtsbericht van 2025). [16] Aan het EUAA-rapport van oktober 2025 moet echter meer waarde worden gehecht, omdat dit rapport is opgesteld door een onafhankelijke agentschap en het algemeen ambtsbericht onder politieke verantwoordelijkheid. Eiser verwijst daartoe naar een uitspraak van 31 januari 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle. [17] Tot slot heeft eiser ter nadere onderbouwing ook het negatieve reisadvies voor Somalië en informatie van Human Rights Watch overgelegd. [18]
7.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen het erover eens zijn dat in Mogadishu geen sprake is van de uitzonderlijke situatie dat de enkele aanwezigheid leidt tot een reëel risico op willekeurig geweld. Wel zijn partijen het oneens over de vraag of uit het EUAA-rapport uit 2025 volgt dat sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld in plaats van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister uitgaan van het bestaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Mogadishu. Dat in het EUAA-rapport van oktober 2025 wordt geconcludeerd dat sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld doet daaraan niet af. Eiser heeft bovendien niet gemotiveerd op welke manier uit dit rapport volgt dat de elementen die betrokken moeten worden bij de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, in een dergelijke mate zijn verslechterd dat op grond daarvan een hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen zou moeten worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk, en omstandigheden als hoeveel burgers slachtoffer zijn geworden van het geweld of als gevolg daarvan ontheemd zijn geraakt. [19] De rechtbank ziet hier ook geen aanleiding voor. Uit zowel het algemeen ambtsbericht van 2025 als uit het EEUA-rapport van oktober 2025 blijkt dat Mogadishu niet in de handen is van Al-Shabaab. Ook volgt uit het EUAA-rapport van oktober 2025 niet expliciet dat de situatie sinds het einde van de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht van 2025, februari 2025, is verslechterd als het gaat om bijvoorbeeld het aantal geweldsincidenten waarbij burgers betrokken zijn of het aantal ontheemden. De rechtbank wijst in dat kader op het gegeven dat uit zowel het ambtsbericht van 2025 alsook een EUAA-rapport van mei 2025, waar het EUAA-rapport van oktober 2025 op is gebaseerd, blijkt dat sprake is van een dalende trend in het aantal geweldincidenten in de regio, slechts een minderheid van het aantal geweldsincidenten incidenten met burgers betreft, terwijl het aantal incidenten met burgers gelijk blijft dan wel omlaag gaat. [20]
7.4.
Ook het door eiser genoemde negatieve reisadvies voor Somalië leidt niet tot een ander oordeel. Uit dit reisadvies kan niet worden afgeleid dat de mate van willekeurig geweld in Mogadishu een hoger niveau heeft aangenomen. De aard en de intensiteit van het geweld is in dit reisadvies ook niet nader toegelicht. Een reisadvies wordt bovendien opgesteld in het kader van consulaire hulpverlening en is een advies aan Nederlanders die naar Somalië reizen en dus niet voor de beoordeling van asielaanvragen.
Heeft eiser op basis van zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld?
7.5.
De volgende vraag die beantwoord moet worden is of eiser op basis van zijn individuele omstandigheden voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij, in het licht van de lagere gradatie van willekeurig geweld in Mogadishu, een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
7.6.
Eiser betoogt dat dit het geval is. Hij is namelijk geboren en getogen in Saoedi-Arabië. Hij spreekt nauwelijks Somalisch, weet niets van de gebruiken en tradities van zijn stam Sheekhaal en heeft geen enkel netwerk in Somalië. Dit zal hem onmiddellijk onderscheiden van andere Somalische burgers en maakt hem een persoonlijk doelwit voor Al-Shabaab. Hij kan ook niet terugvallen op zijn stam voor bescherming.
7.7.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser vanwege zijn individuele omstandigheden geen verhoogd risico loopt op ernstige schade en daardoor niet kan terugkeren. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat hij vanwege het feit dat hij afkomstig is uit Saudi-Arabië en het Somalisch onvoldoende beheerst een verhoogd risico loopt om of slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De rechtbank neemt daarbij bovendien in aanmerking dat eiser wel enige tijd in Mogadishu heeft verbleven en in Mogadishu familie heeft.
Heeft de minister de aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard?
8. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat de minister zijn aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Hij heeft namelijk een gegronde reden waarom hij niet zo spoedig mogelijk na binnenkomst in Nederland internationale bescherming heeft gevraagd. Zijn neef, met wie hij in Nederland is aangekomen, was ernstig onderkoeld en had onmiddellijk medische zorg nodig. Zijn neef en hij zijn na binnenkomst in Nederland direct naar een ziekenhuis in [plaats] gegaan waar de voeten van zijn neef zijn geamputeerd. Eiser heeft zich dus niet bewust elders opgehouden en heeft van de bijstand die hij zijn neef heeft verleend nimmer een geheim gemaakt. Bovendien heeft hij zich gelijk gemeld toen zijn zorg en constante aanwezigheid niet meer nodig waren, ook al lag zijn neef toen nog in het ziekenhuis. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft eiser het medische dossier van zijn neef overgelegd.
8.1.
Uit paragraaf C1/4.3.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat van een vreemdeling die stelt te vrezen voor vervolging of voor ernstige schade bij terugkeer verlangd mag worden dat hij zo spoedig mogelijk asiel aanvraagt. Hiervan is in beginsel sprake als een asielaanvraag binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend. Als dit niet binnen 48 uur is gebeurd, vraagt de IND naar de reden hiervan. Als de vreemdeling daar geen goede reden voor heeft, wordt niet voldaan aan deze voorwaarde.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser zijn neef heeft willen ondersteunen, heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd. Eiser heeft namelijk niet duidelijk gemaakt waarom zijn constante aanwezigheid gedurende een periode van twee weken nodig was.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
4.Proces-verbaal van verhoor, p. 3.
5.Proces-verbaal van verhoor, p. 1.
6.Proces-verbaal van verhoor, p. 3.
7.Verslag nader gehoor, p. 4.
8.Verslag nader gehoor, p. 9.
9.Verslag nader gehoor, p. 9.
10.Verslag nader gehoor, p. 9.
11.Verslag nader gehoor, p. 9-10.
12.Verslag nader gehoor, p. 10.
13.Verslag nader gehoor, p. 4.
14.Verslag nader gehoor, p. 10-11.
15.EUAA, Country Guidance: Somalia (oktober 2025).
16.Algmeen ambtsbericht Somalië (april 2025).
18.Human Rights Watch, Country Chapter Somalia, Events of 2025.
19.Zie paragraaf paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc 2000. Deze criteria zijn gebaseerd op het arrest van het EHRM van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907. Zie ook het arrest van het HvJ EU van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472, onder 43.
20.Algmeen ambtsbericht Somalië (april 2025), p. 36 en EUAA, Country of Origin Information. Somalia: Security Situation (mei 2025), p. 92.