Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3], V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer]
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk volgens het Dublin-verdrag verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en tevens is een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de bodemzaak behandeld en geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is vanwege de uitspraak in de bodemzaak.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Wel is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 934,-, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Er is geen extra vergoeding toegekend voor het verschijnen ter zitting omdat die reeds in de bodemzaak is toegekend.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. G.P. Loman en is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,-.