Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
bijlage Iaan dit
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de vervaardiging van cocaïne met behulp van een procaïnelaboratorium op een perceel in Leiden. De politie startte op 23 oktober 2024 een onderzoek naar meldingen over een drugslaboratorium en trof een stacaravan aan met een ingericht laboratorium en diverse chemicaliën en grondstoffen.
Forensisch onderzoek door het NFI toonde DNA-sporen van verdachte op gelaatsmaskers en blikjes frisdrank in de stacaravan. Echter, de rechtbank oordeelde dat deze sporen onvoldoende bewijs vormden voor betrokkenheid, omdat het niet vaststaat hoe en wanneer het DNA daar terechtkwam. Ook historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte en een fotoconfrontatie met een medeverdachte boden geen voldoende steunbewijs.
De verdediging pleitte vrijspraak, terwijl het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van 36 maanden vorderde. De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen te verklaren en sprak verdachte vrij. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen voorbereidingshandelingen cocaïne.