Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvragen in augustus 2025, maar heeft binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden geen besluit genomen. Eisers stelden de minister tijdig schriftelijk in gebreke en dienden daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk en gegrond zijn, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van zestien weken op, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van het vonnis de eisers moet horen over hun asielmotieven en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. Omdat de zaken inhoudelijk samenhangen, wordt de dwangsom en proceskostenvergoeding beperkt tot één zaak. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 467 aan eisers.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden en is op 22 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.