De rechtbank Den Haag behandelde op 27 januari 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de vervaardiging van cocaïne met een procaïnelaboratorium en het opzettelijk aanwezig hebben van XTC/MDMA.
De politie vond op 23 oktober 2024 een drugslaboratorium in een stacaravan met onder meer 56 kilogram procaïne en diverse chemicaliën. Forensisch onderzoek toonde DNA van verdachte op gelaatsmaskers in de caravan, maar de rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende bewijs was voor betrokkenheid. Historische telefoongegevens en een fotoconfrontatie met een medeverdachte boden ook geen overtuigend bewijs.
Op 30 maart 2025 werden in een woning en kelderbox in Leiden grote hoeveelheden drugs aangetroffen, waaronder 579,9 gram MDMA en 842,4 gram cocaïne. DNA-onderzoek toonde een mengprofiel met verdachte als mogelijke donor, maar ook dit was onvoldoende om betrokkenheid vast te stellen, mede omdat verdachte in voorlopige hechtenis zat gedurende een deel van de tenlastegelegde periode.
De rechtbank concludeerde dat de tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen konden worden en sprak verdachte vrij van beide tenlasteleggingen. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.