Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 9 augustus 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest in beginsel binnen zes maanden beslissen, met een maximale beslistermijn van 21 maanden vanwege het besluitmoratorium voor Syrië. De minister heeft echter niet binnen deze termijn beslist. Eiser stelde de minister op 10 maart 2026 tijdig in gebreke en stelde daarna beroep in tegen het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van acht weken op, waarbij de minister binnen deze termijn alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-, voor het geval de minister niet binnen de gestelde termijn beslist.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en benadrukt het belang van een zorgvuldige en snelle besluitvorming in asielzaken.