Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 9 januari 2025 en had een beslistermijn van zes maanden, maar heeft binnen deze termijn geen besluit genomen. Eiser stelde de minister op 10 maart 2026 tijdig in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 100,- betalen, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 20 mei 2026.