Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 6 april 2024 ontvangen, maar de minister had niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 16 maart 2026 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden en de ingebrekestelling correct is gedaan. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Omdat de wettelijke bepalingen over bestuurlijke dwangsommen per 15 april 2025 zijn komen te vervallen en de minister niet vóór die datum in gebreke is gesteld, kan de rechtbank de reeds verbeurde dwangsom niet vaststellen.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele juridische hulpverlener inschakelde en de zaak alleen over de overschrijding van de beslistermijn gaat. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 20 mei 2026.