Eiseres diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning als gezinslid, welke door de minister werd afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De minister verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond en zag af van een hoorzitting. Eiseres betoogde dat het mvv-vereiste discriminerend is en dat de minister ten onrechte afzag van horen in bezwaar.
De rechtbank oordeelt dat het mvv-vereiste niet in strijd is met het discriminatieverbod en dat het onderscheid naar nationaliteit gerechtvaardigd is ter bescherming van de Nederlandse economische orde. Ook is het mvv-vereiste niet onevenredig in dit geval. Wel is geoordeeld dat de minister onterecht heeft afgezien van een hoorzitting, omdat eiseres expliciet om horen had verzocht en er sprake is van bijzondere omstandigheden, waaronder de chronische ziekte van haar partner.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij eiseres en haar partner worden gehoord. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.