Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
€ 15.000,-;. Deze uitspraak is in rechte komen vast te staan.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft op 13 september 2023 asiel aangevraagd. Op 14 december 2024 is een besluit- en vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië, waardoor de minister geen besluiten kon nemen op asielaanvragen van deze groep. Dit moratorium is op 14 juni 2025 beëindigd.
Eiser diende op 10 mei 2025 een ingebrekestelling in en vervolgens op 12 juni 2025 een beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde op 11 september 2025 dat de minister binnen vier weken moest beslissen en legde een dwangsom op. Echter, de rechtbank stelt nu vast dat dit beroep ten onrechte gegrond is verklaard omdat de ingebrekestelling tijdens het BVM was ingediend, waardoor het beroep niet ontvankelijk had moeten worden verklaard.
Daarnaast diende eiser op 12 juni 2025 een tweede ingebrekestelling in en op 3 juli 2025 een beroep, dat op 17 oktober 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank bevestigt dat het beroep niet ontvankelijk is omdat de ingebrekestelling prematuur was ingediend tijdens het moratorium.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en griffier A.W. Landman en is openbaar gemaakt op 28 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur tijdens het besluitmoratorium is ingediend.