Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13715

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL25.58670 en NL25.58671
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 31 lid 6 VwVerordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somaliër wegens ongeloofwaardigheid minderheidsstamverhaal

Eiser, een Somalische nationaliteit dragende man, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij via Nederland naar Zweden was gereisd en daar asiel had aangevraagd. Hij beriep zich op discriminatie en bedreigingen vanwege zijn lidmaatschap van een minderheidsstam in Somaliland, met incidenten van mishandeling en een mesaanval als directe aanleiding voor zijn vlucht.

De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende bewijs leverde voor de bedreigingen en mishandelingen, inconsistenties vertoonde in zijn verklaringen en zijn asielaanvraag niet tijdig indiende. De rechtbank bevestigde deze afwijzing na beoordeling van de overgelegde documenten, waaronder medische rapporten, politieverklaringen en berichten op sociale media, die onvoldoende samenhang en geloofwaardigheid boden.

De rechtbank oordeelde dat de tweede en derde asielmotieven van eiser niet geloofwaardig waren, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen over zijn vertrekreden, het gebruik van een reisagent ondanks een geldig visum, en het niet direct aanvragen van asiel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, waarmee eiser niet wordt beschermd tegen uitzetting.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.58670 (beroep) en NL25.58671 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.R. Vink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening, die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep op 11 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.A. Hersi als tolk in de taal Somali en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1986 in Hargeisa, Somaliland. Hij is in 2010 getrouwd met een Somalische vrouw die inmiddels in Zweden woont. Zij heeft hem in de loop der jaren een paar keer opgezocht. Eiser en zijn vrouw hebben in die periode twee kinderen gekregen, die bij haar in Zweden wonen. In 2023 werkte eiser voor [bedrijf 1] . Hij is voor zijn werk naar Nederland gereisd om een congres bij te wonen. Na afloop van het congres is eiser met behulp van een smokkelaar/reisagent doorgereisd naar Zweden, waar eiser asiel heeft aangevraagd. Zweden heeft zich op het standpunt gesteld dat Nederland op grond van de Dublinverordening [2] verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Eiser is naar Nederland teruggestuurd en heeft ook hier asiel aangevraagd.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Dhulbahante bevolkingsgroep en de sub-stammen Darood, Raar Sh. Aboyonis, Reer Sh. Yusuf Maame. Hij heeft Somalië verlaten, omdat hij in Somaliland tot een minderheidsstam behoort. Eiser heeft daardoor discriminatie ondervonden, wat zijn positie binnen zijn werk en gemeenschap bemoeilijkte. Eiser werd herhaaldelijk bedreigd door leden van de Isaaq stam (de meerderheidsstam in Somaliland) vanwege zijn stamafkomst en het feit dat zijn vader een procedure had gestart om grond terug te krijgen die door de Isaaq-stam was ingenomen. Nadat zijn vader was overleden, richtte de Isaaq zich tot eiser. Hij ontving doodsbedreigingen via de telefoon en werd fysiek aangevallen. Hij is onder andere mishandeld in 2014 en 2019 waarbij hij gewond is geraakt aan onder meer zijn handen, en hij is in 2022 vanuit een auto beschoten. Een mesaanval bij zijn woning in mei 2023 was de directe reden om Somalië te ontvluchten. Daarnaast heeft hij bedreigingen ontvangen via Facebook naar aanleiding van zijn uitlatingen aldaar over de politieke situatie en de positie van vrouwen. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser vermoord te zullen worden vanwege zijn stamafkomst.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. ondervonden problemen na het overlijden van eisers vader;
3. ondervonden problemen vanwege de discriminatie binnen eisers clan.
5.1
Verweerder acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar het tweede en derde asielmotief niet. Eiser heeft deze asielmotieven niet onderbouwd met voldoende documenten en daarvoor geen goede reden gegeven. Zo heeft hij geen documenten van de politieonderzoeken over de bedreigingen en incidenten vanaf 2014 overgelegd, ontbreken de bedreigende reacties op zijn Facebookberichten en heeft hij ook geen oproeplijst van zijn telefoon overgelegd. Ook heeft hij onsamenhangend en onaannemelijk verklaard over deze asielmotieven. Zo heeft eiser onsamenhangend verklaard over de bedreigingen en de nasleep hiervan, zowel over hoe het is gegaan bij de politie als over het contact met de politie hierover. Ook heeft eiser inconsistent verklaard over zijn werkloosheid en toegang tot medische zorg vanwege zijn stamafkomst en over de situatie rondom zijn broers en waarom zij geen problemen hebben ondervonden vanwege de grond van hun vader. De inconsistenties zien ook op zijn verklaringen over zijn reden van vertrek. Verder heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk gedaan en is eiser in grote lijnen niet geloofwaardig omdat niet valt in te zien dat hij een reisagent nodig had om vanuit Nederland naar Zweden te reizen en omdat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe hij zijn paspoort is kwijtgeraakt. Al deze omstandigheden maken dat eiser niet het voordeel van de twijfel wordt gegund [3] en dat het tweede en derde asielmotief volgens verweerder niet geloofwaardig zijn. Verder heeft eiser waarschijnlijk te kwader trouw zijn paspoort vernietigd of weggemaakt. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Bespreking van de beroepsgronden
6. Eiser heeft aangevoerd dat zijn relaas wel geloofwaardig is, dat hij het heeft onderbouwd met documenten en dat het past in de overgelegde landeninformatie, waarin de clandynamiek in Somaliland wordt uitgelegd. Eiser heeft een brief van 20 april 2021 overgelegd, afkomstig van [persoon] , werkzaam bij de [bedrijf 2] , waarin is vermeld dat hij verantwoordelijk zal zijn voor het onderzoek naar de zaak van eiser. In deze brief wordt tevens bevestigd dat eiser doodsbedreigingen heeft ontvangen en dat jegens hem een gewelddadige aanslag is gepleegd, waarbij zijn hand is gebroken en hij met een mes in zijn hand is gestoken. Ook is een rapport [instantie] van 20 april 2022 overgelegd, waarin gegevens zijn opgenomen over de auto die is gebruikt bij de poging om eiser te doden. Daarnaast heeft hij een medisch rapport van [instantie] van [datum] 2019 overgelegd, waarin het letsel als gevolg van een messteek in zijn rechterhand wordt bevestigd. Alsook nog een medisch rapport van hetzelfde ziekenhuis van [datum] 2014, waarin de breuk van zijn linkerhand wordt bevestigd. Tevens heeft eiser de eigendomsakte van de grond van zijn vader overgelegd, alsmede een brief van zijn vader aan de rechtbank voor een procedure om het land terug te krijgen. Ook heeft eiser bedreigende berichten die hij op zijn telefoon heeft ontvangen overgelegd.
6.1
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de inhoud van de overgelegde documenten over het land van zijn vader en de procedure daaromtrent, daargelaten de authenticiteit, niet of nauwelijks de gestelde problemen na het overlijden van zijn vader onderbouwen. Daarnaast komt de officiële mededeling van het [bedrijf 2] , los van de authenticiteit, niet overeen met de verklaringen van eiser en de in de zienswijze en beroepsgronden gegeven nadere uitleg en toelichting. Zo staat in het stuk dat eiser aangifte heeft gedaan, terwijl eiser heeft verklaard geen aangifte te hebben gedaan en heeft eiser verklaard de rechercheur zelf te hebben benaderd, terwijl in het stuk staat dat het dossier aan de rechercheur is overgedragen en hij contact op zal nemen met eiser. Ook qua chronologie van gebeurtenissen en de (re)acties van eiser hierop komt het stuk niet overeen met de verklaringen van eiser. De verklaring van de verkeerspolitie van Somaliland geeft eveneens een ander beeld dan de verklaringen van eiser. Volgens de verklaring van de verkeerspolitie wilde de dader eiser aanhouden en is deze dader in zijn voertuig gevlucht en heeft hij tijdens zijn vlucht op de inzittenden een schot gelost. Eiser heeft daarentegen over het incident verklaard dat de auto met hoge snelheid richting zijn huis reed, dat het doel van de dader was hem dood te rijden en dat hij één schot gelost had om mensen weg te jagen. Daarnaast geven de medische rapporten van [instantie] ander letsel weer dan waarover eiser heeft verklaard en staat daarin niet hoe het letsel is ontstaan. Hierdoor mist de connectie tussen het letsel en de gestelde incidenten. Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de overlegde Facebookberichten geen objectieve en verifieerbare documenten zijn die eisers asielrelaas aannemelijk maken. Deze berichten zijn niet op echtheid te controleren waardoor er niet de waarde aan toegekend wordt die eiser zou willen. Daarbij ontbreken de bedreigende reacties die eiser op deze Facebookberichten zou hebben ontvangen. Dus niet is duidelijk door wie en hoe vaak eiser zou zijn bedreigd via Facebook. Ook is niet duidelijk van wie de bedreigende tekstberichten op eisers telefoon afkomstig zijn. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser inconsistent heeft verklaard over de reden van vertrek.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook met de door eiser overgelegde stukken niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het tweede en derde asielmotief ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft immers ook nog tegengeworpen dat eiser inconsistent heeft verklaard over de reden voor vertrek, dat eiser niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd en dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig is omdat niet valt in te zien dat hij een reisagent nodig had om naar Zweden te reizen en omdat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe hij zijn paspoort is kwijtgeraakt. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
7.1
Verweerder heeft in verband met de inconsistenties over de reden voor vertrek het volgende overwogen. Eerst heeft eiser verklaard dat het incident met het pistool in 2022 de reden voor zijn vertrek zou zijn en later het incident met het mes in 2023. Het is onduidelijk waarom eiser pas na de mesaanval in mei 2023 besloot te vluchten, ondanks eerdere bedreigingen en aanvallen. Vervolgens is eiser pas in november 2023 vertrokken. Dit zou te maken hebben met zijn werk. Het valt echter niet in te zien dat hij door kon gaan met zijn werk, voor zijn werk op en neer reisde naar Egypte en ook op en neer reisde naar Kenia om zijn Nederlandse visum aan te vragen en op te halen, en telkens kon terugkeren naar Somalië. Dat duidt er in zijn geheel niet op dat hij persoonlijke problemen had. Eiser heeft hier geen gronden tegen gericht. Deze tegenwerpingen houden dus stand.
7.2
Met betrekking tot het inschakelen van de reisagent voor de reis naar Zweden en het verlies van het paspoort heeft verweerder het volgende overwogen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het onaannemelijk is dat eiser een reisagent heeft ingeschakeld en zijn paspoort aan een reisagent heeft afgestaan, omdat hij een Nederlands visum had en dus legaal naar Zweden kon reizen. Daarbij heeft eiser tegenstrijdig verklaard over hoe hij het paspoort is kwijtgeraakt. Eerst zou hij zijn paspoort zijn kwijtgeraakt in de bus en daarna heeft hij verklaard dat de reisagent het paspoort had afgepakt. Vanwege eisers opleidingsniveau kan van eiser worden verwacht dat hij de vaardigheden heeft om zelf op de hoogte te geraken van de reisroutes in Europa zonder dat hij volledig afhankelijk is van een reisagent. Hij heeft de reis naar Nederland bovendien ook zonder reisagent afgelegd. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het enkele feit dat hij een visum voor Nederland had, niet betekent dat het ongeloofwaardig zou zijn dat hij toch een reisagent inschakelde en vervolgens tijdens zijn reis naar Zweden zijn paspoort heeft moeten afgeven. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Eiser heeft een universitaire studie gevolgd, spreekt Engels en heeft eerder internationaal gereisd. Bovendien was zijn vrouw in Zweden zodat hij ook aan haar hulp kon vragen. Verweerder heeft dan ook terecht tegengeworpen dat eiser op dit punt in grote lijnen niet geloofwaardig is.
7.3
Met betrekking tot het niet zo spoedig mogelijk indienen van de asielaanvraag heeft verweerder zich op het volgende standpunt gesteld. Eiser is op 4 november 2023 Nederland ingereisd, heeft hier een werkbezoek van [bedrijf 1] afgelegd en is op 18 november naar Zweden vertrokken. Pas in Zweden heeft eiser asiel aangevraagd. Dat hij eerst een werkbezoek maakt en vervolgens twee weken later doorreist naar Zweden, duidt er niet op dat hij een dringende behoefte heeft aan internationale bescherming. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd omdat hij naar zijn gezin in Zweden wilde, niet wist welke EU-lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor zijn asielaanvraag en onjuist en onvolledig is voorgelicht. Dit alles is voor de rechtbank echter onvoldoende. Als het eiser er echt om ging dat hij internationale bescherming wilde, had het voor de hand gelegen dat hij dat óf direct in Nederland had aangevraagd, óf direct was doorgereisd naar Zweden om daar asiel aan te vragen. Verweerder heeft dus terecht tegengeworpen dat eiser niet zo spoedig mogelijk zijn asielaanvraag heeft ingediend.
8. Aangezien de tegenwerpingen van verweerder stand houden, heeft verweerder niet ten onrechte het tweede en derde asielmotief van eiser ongeloofwaardig geacht.
9. Eiser heeft ook nog een beroepsgrond aangevoerd tegen de afwijzing als kennelijk ongegrond. Omdat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe hij zijn paspoort in Zweden is kwijtgeraakt (zie 7.2), heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.58670:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.58671:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
3.Zie artikel 31, zesde lid, van de Vw.