Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13722

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL25.43424 en NL25.43428
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8 WavArt. 9 Wav
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister handelt in strijd met vergewisplicht bij afwijzing verlenging GVVA voor Aziatische kok

Eiser, een Indiase specialiteitenkok, diende een aanvraag in voor verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). De minister wees deze aanvraag af op basis van een negatief arbeidsmarktadvies van het UWV, dat stelde dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod was en dat de functie-eisen onrealistisch waren.

Eiser voerde aan dat de beleidswijziging waarbij specifieke functie-eisen voor Aziatische koks werden afgeschaft, in strijd was met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde echter dat de minister geen concrete toezeggingen had gedaan en dat de beleidswijziging tijdig en via meerdere kanalen was aangekondigd.

De rechtbank stelde vast dat het UWV-advies onvoldoende inzichtelijk en concludent was, met name over de inwerktijd van drie tot zes maanden voor zelfstandig werkende koks in de Aziatische keuken. Ook was onvoldoende gemotiveerd waarom de eis van twee jaar werkervaring als irreëel werd beschouwd en waarom de werkgever onvoldoende wervingsinspanningen zou hebben verricht.

De minister had zich niet voldoende vergewist van de inhoud en totstandkoming van het UWV-advies, waardoor het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en ondeugdelijk was gemotiveerd. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf de minister zes weken om een nieuw besluit te nemen, waarbij het beroep werd toegewezen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens schending van de vergewisplicht en onvoldoende onderbouwing van het UWV-advies.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.43424 (beroep)
NL25.43428 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1995, van Indiase nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. J. van Putten en mr. B.D. Lit),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser om verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) afgewezen.
Bij besluit van 3 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarnaast verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot het toestaan van verzoeker om voor zijn werkgever hangende het beroep te mogen blijven werken. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 april 2026 gelijktijdig met de zaken met zaaknummers NL25.43403 en NL25.43406 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, A. Singh als tolk, de heer [persoon 1] (mede-eigenaar van de werkgever van eiser), de heren [persoon 2] en [persoon 3] (namens [instantie] , een wervingsbureau dat de werkgever heeft bijgestaan in de wervingsprocedure) en de gemachtigden van eiser. De minister is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

Achtergrond
1. Eiser heeft als specialiteitenkok Indiase keuken gewerkt voor [bedrijf] (hierna: de werkgever) op grond van een GVVA, geldig van 1 oktober 2022 tot 1 oktober 2024. Eiser heeft op 26 september 2024 een aanvraag ingediend voor verlenging van deze vergunning.
Besluitvorming
2. De minister heeft deze aanvraag in het primaire besluit afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarden voor de vergunning voldoet. Het UWV [1] heeft in haar advies van 24 januari 2025 namelijk aan de minister meegedeeld dat niet wordt voldaan aan verschillende voorwaarden uit de Wav [2] . Het UWV heeft daarom een negatief arbeidsmarktadvies uitgebracht.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De minister heeft het UWV gevraagd in de bezwaarfase een nieuw arbeidsmarktadvies uit te brengen. Eiser is op 27 mei 2025 door de minister en het UWV gehoord. Het UWV heeft op 2 september 2025 opnieuw een negatief arbeidsmarktadvies uitgebracht.
2.1.1.
Aan dit negatieve advies heeft het UWV – samenvattend – het volgende ten grondslag gelegd. Tot 1 september 2022 gold er een uitzonderingspositie voor restaurants in de Aziatische horecasector, waardoor koks uit Azië eenvoudiger een GVVA konden krijgen. Als onderdeel van deze uitzonderingspositie hanteerde het UWV zogenoemde ‘specifieke functie-eisen’. Vanaf 1 juli 2024 toetst het UWV niet meer aan deze specifieke functie-eisen en vindt een volledige arbeidsmarkttoets plaats. Het UWV meent dat deze beleidswijziging – die ook geldt voor aanvragen tot verlenging van een bestaande GVVA – niet in strijd is met het vertrouwens-, rechtszekerheids-, motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
2.1.2.
Het UWV heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser niet wordt voldaan aan verschillende voorwaarden uit de Wav. Volgens het UWV moet de functie waarvoor de werkgever eiser te werk wil stellen gelet op de functieomschrijving worden aangemerkt als ‘zelfstandig werkend kok +variant’. Het UWV-advies stelt dat er voor deze functie prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. [3] Dit houdt in dat er binnen de EU/EER en/of Zwitserland potentiële kandidaten zijn die deze functie kunnen uitoefenen en voorrang hebben boven kandidaten van buiten de EU/EER en/of Zwitserland. Het UWV heeft er hierbij op gewezen dat de door de werkgever gestelde eis van minimaal twee jaar werkervaring een irreële functie-eis is en daarom buiten beschouwing wordt gelaten. Uit een rapport van EVZ organisatie-advies uit 2024 (hierna: het EVZ-rapport) volgt namelijk dat een in Nederland opgeleide kok binnen drie tot zes maanden is op te leiden voor een koksfunctie in een landspecifieke keuken, waaronder ook Aziatische keukens vallen.
2.1.3.
Het UWV stelt zich daarnaast op het standpunt dat er door de werkgever geen goede vacaturemelding heeft plaatsgevonden en ook niet op enige manier een juiste vacaturemelding is aangetoond. [4] Ook heeft de werkgever gelet op het stellen van de eis van twee jaar werkervaring op onjuiste wijze wervingsinspanningen verricht om de functie te vullen met prioriteitgenietend aanbod. [5] Daarnaast heeft de werkgever met de eis van twee jaar werkervaring onnodige eisen aan de functie gesteld. [6] Tot slot stelt het UWV dat het door de werkgever aangeboden loon niet past bij de functie. [7]
2.2.
De minister heeft de afwijzing van de aanvraag van eiser in het bestreden besluit gehandhaafd en legt hieraan het UWV-advies van 2 september 2025 ten grondslag. Volgens de minister dient dit advies als een deskundigenadvies te worden aangemerkt. De minister meent dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. De minister kan zich daarom voor de afwijzing van de verleningsaanvraag op dit advies baseren.
Is de wijziging van het beleid voor de beoordeling van GVVA-aanvragen van Aziatische koks in strijd met het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel?
Standpunt eiser
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het UWV heeft sinds het formeel afschaffen van de bijzondere regeling voor de Aziatische horeca tot 1 juli 2024 een vaste gedragslijn gehanteerd waarbij GVVA-aanvragen van Aziatische koks aanzienlijk soepeler werden beoordeeld dan reguliere GVVA-aanvragen. Eiser stelt dat de beslispraktijk ten tijde van de eerste toelating van eiser aanzienlijk soepeler was dan thans het geval is, er ten tijde van deze toelating geen tekenen waren dat de beslispraktijk zou wijzigen en dat personen bij een eerdere wijziging (de afschaffing van paragraaf 19a van de RuWav [8] ) op grond van hetzelfde regime werden behandeld. Eiser meent dan ook dat hij op basis van consistente en langdurige gedragingen van het UWV erop mocht vertrouwen dat ook zijn verlenging op basis van dezelfde gedragslijn beoordeeld zou worden. Eiser voert verder aan dat de wijziging van het beleid met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2024 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, nu dit voor zowel de koks als hun werkgevers verstrekkende (financiële) gevolgen heeft en zij hier niet op hebben kunnen anticiperen. Noch eiser, noch zijn werkgever konden er op het moment dat de aanvraag om eerste toelating werd ingediend (juli 2022) immers op anticiperen dat voor de verlengingsaanvraag zwaardere voorwaarden zouden gelden. Dit was immers door het UWV op geen enkele wijze vooraf kenbaar gemaakt.
Standpunt minister
3.1.
Het UWV heeft namens de minister het volgende in het verweerschrift naar voren gebracht. Tot 1 januari 2022 gold er een bijzondere regeling [9] , waardoor koks uit Azië eenvoudiger een GVVA konden krijgen. Restaurants hoefden onder deze regeling geen wervingsinspanningen te verrichten om de vacature voor kok te vervullen met prioriteitgenietend aanbod. Ook hanteerde het UWV bij het beoordelen van GVVA-aanvragen specifieke functie-eisen. Dit hield in dat werkgevers verschillende functie-eisen mochten stellen, zoals het bezitten van bepaalde vaardigheden in de Aziatische keuken en relevante kennis van de taal en cultuur van het desbetreffende Aziatische land. Het UWV ging er vervolgens vanuit dat een werkzoekende kok aan deze specifieke functie-eisen moest voldoen om de vacature te kunnen vervullen.
3.2.
Na de afschaffing van deze regeling op 1 februari 2022 is het UWV blijven toetsen aan specifieke functie-eisen voor de Aziatische horecasector. Wel werd van een werkgever verwacht dat hij de vacature tijdig bij het Servicepunt Aziatische Horeca meldde en ten minste één wervingsinspanning gericht op de Nederlandse arbeidsmarkt en één wervingsinspanning gericht op de Europese arbeidsmarkt verrichtte. De minister heeft sectorvertegenwoordigers bij brief van 13 mei 2023 vervolgens medegedeeld dat de beoordeling aan de hand van de specifieke functie-eisen vanaf 1 juli 2024 zou komen te vervallen. Als gevolg hiervan dienen aanvragen van Aziatische koks – waaronder ook aanvragen tot verlenging van al eerder verleende GVVA-vergunningen aan dezelfde eisen te voldoen die voor andere GVVA-aanvragen gelden. Volgens het UWV heeft het afschaffen van de specifieke functie-eisen tot gevolg dat er een grotere groep kandidaten/werkzoekenden tot het prioriteitgenietend aanbod zijn gaan behoren en dat het UWV er daarom niet meer standaard vanuit gaat dat er geen prioriteitgenietend aanbod in Nederland en Europa aanwezig is.
3.3.
Het UWV stelt dat er geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan, noch gedragingen zijn verricht waaraan eiser het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zijn (verlengings)aanvraag in de toekomst opnieuw gehonoreerd zou worden. Het vervallen verklaren van de specifieke functie-eisen betreft een interne beleidswijziging met algemene werking die is aangekondigd in de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 mei 2023. Het UWV stelt dat evenmin sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De voornoemde beleidswijziging is namelijk tijdig aangekondigd door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het UWV heeft de sector hierover ook via meerdere kanalen geïnformeerd. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat de beleidswijziging onduidelijk of onaangekondigd was.
Het oordeel van de rechtbank
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel niet slaagt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiser aannemelijk maakt dat aan de minister toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon. Hiervan is in dit geval niet gebleken. De minister, noch het UWV hebben immers aan eiser concrete toezeggingen gedaan dat zijn verlengingsaanvraag op grond van hetzelfde beleid zou worden behandeld als het beleid dat gold ten tijde zijn aanvraag om eerste toelating. Ook de omstandigheid dat het UWV na de afschaffing van de bijzondere regeling nog tot 1 juli 2024 (verlengings)aanvragen heeft beoordeeld aan de hand van de specifieke functie-eisen, maakt niet dat eiser erop mocht vertrouwen dat het UWV in zijn geval dit beleid zou toepassen. Eiser heeft op zitting naar voren gebracht dat het UWV tegenstrijdige signalen heeft gegeven over het toepasselijke beleid en dat het daarom niet duidelijk was welk beleid door het UWV werd toegepast. Het UWV heeft zich naar het oordeel van de rechtbank echter op het standpunt kunnen stellen dat de afschaffing van de specifieke functie-eisen per 1 juli 2024 tijdig en via verschillende kanalen aan de sector kenbaar is gemaakt. Nu de verlengingsaanvraag van eiser dateert van 26 september 2024, moest voor eiser en zijn werkgever dan ook voldoende duidelijk zijn geweest dat deze aanvraag op grond van een gewijzigd beleidskader zouden worden beoordeeld.
3.5.
Dat ten tijde van zijn eerste toelating voor eiser nog niet kenbaar was dat de aanvraag voor verlenging van zijn GVVA op grond van een ander beleidskader zou worden beoordeeld, leidt niet tot een ander oordeel. De minister is immers niet gehouden een aanvraag om verlenging van een verblijfsvergunning op grond van hetzelfde beleid te beoordelen als het beleid dat gold ten tijde van de aanvraag om eerste toelating. Anders dan eiser stelt, heeft de minister deze beleidswijziging niet met terugwerkende kracht toegepast, maar enkel op (verlengings)aanvragen die dateren van na 1 juli 2024. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook geen sprake.
Heeft de minister aan de vergewisplicht voldaan?
Standpunt eiser
4. Eiser meent verder dat in het UWV-advies van 2 september 2025 niet deugdelijk wordt onderbouwd dat er prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Eiser stelt dat uit het EVZ-rapport van 2024 niet blijkt waarop is gebaseerd dat een in Nederland opgeleide kok in drie tot zes maanden kan worden opgeleid tot zelfstandig werkend kok in de Aziatische keuken. Eiser verwijst naar een rapport van Panteia [10] uit 2016 waarin staat dat voor een dergelijke functie zo’n vijf jaar werkervaring in de Aziatische keuken vereist is. Eiser meent dat de minister op grond van zijn vergewisplicht inzage had moeten krijgen in dit onderzoek op basis waarvan het UWV heeft geconcludeerd dat geen werkervaring of specifieke kennis van de Aziatische keuken mocht worden gevraagd. Eiser meent verder dat het UWV de stelling dat er voldoende prioriteitaanbod aanwezig is om de functie te vervullen ten onrechte niet concreet en inzichtelijk heeft onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
5. Het UWV-advies is een deskundigenadvies aan de minister voor de uitoefening van diens bevoegdheden. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [11] moet de minister, als hij een deskundigenbericht aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er van vergewissen dat dit – naar wijze van totstandkoming en naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. [12]
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het UWV zich in zijn advies van 2 september 2025 op het standpunt heeft gesteld dat een in Nederland opgeleide kok, sous-chefkok of chef-kok binnen drie tot zes maanden is op te leiden voor een functie als zelfstandig werkend kok in een landspecifieke keuken, waaronder ook Aziatische keukens. Het UWV heeft zich daarbij gebaseerd op het EVZ-rapport van 5 april 2024. Het UWV-advies noch het EVZ-rapport maken naar het oordeel van de rechtbank echter inzichtelijk waarop deze inwerktijd is gebaseerd. Zoals door eiser ook in de bezwaarfase is aangevoerd, blijkt uit het EVZ-rapport immers niet welk onderzoek door het EVZ heeft plaatsgevonden, door wie dit onderzoek is uitgevoerd, wat de reikwijdte van dit onderzoek is geweest en welke methodiek daarbij is toegepast. Het UWV is in zijn advies niet op deze vragen ingegaan, maar heeft enkel gesteld dat het EVZ jarenlange ervaring heeft met het uitvoeren van functieonderzoeken, het register referentiefunctie horeca in het kader van de cao Horeca heeft uitgewerkt en diverse horecabedrijven heeft geadviseerd bij de toepassing van het referentiemateriaal van de cao. Hiermee maakt het UWV echter niet inzichtelijk gemaakt hoe het EVZ tot de gestelde inwerktijd van drie tot zes maanden is gekomen.
5.2.
De verwijzing van het UWV naar een eerder rapport van EVZ van 21 december 2012 en de aanvullende notitie daarbij van 29 januari 2014 maakt het voorgaande niet anders. Uit dit rapport volgde dat een werkzoekende met een werk- en denkniveau gelijk aan een koksopleiding op mbo-3 niveau in een periode van drie tot zes maanden met de nodige begeleiding konden worden ingewerkt op de werkplek tot nasi/bami-kok. Dit rapport en de aanvullende notitie is in een uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015 [13] weliswaar als deskundigenrapport geaccepteerd, maar de rechtbank overweegt dat het EVZ-rapport uit 2012 anders dan het EVZ-rapport uit 2024 enkel ziet op de Chinese keuken (en dus niet andere Aziatische keukens) en dat hierin niet voor elke functie in de Chinese keuken wordt uitgegaan van een inwerktijd van drie tot zes maanden. Voor de functie van frituur-kok wordt bijvoorbeeld uitgegaan van een langere inwerktijd van drie tot twaalf maanden. De rechtbank stelt vast dat het in de onderhavige zaak om een ander niveau van kok gaat, te weten een zelfstandig werkend kok.
5.3.
De rechtbank acht daarnaast van belang dat eiser heeft verwezen naar een rapport van Panteia uit 2016, dat is opgesteld in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In dit rapport staat dat hoewel het voor Nederlandse/Europese koks mogelijk zou moeten kunnen zijn om de functie-eisen voor niveau 4 [14] te leren, dit in de praktijk erg moeilijk is. Voor een functie op niveau 4 of hoger is doorgaans, na afronding van een koksopleiding, zo’n vijf jaar ervaring in een Aziatische keuken vereist. In het Panteia-rapport wordt er aldus anders dan in het EVZ-rapport van 2024 van uitgegaan dat enkel koks met specifieke werkervaring in de Aziatische keuken de functie van zelfstandig werkend kok in de Aziatische keuken kunnen uitoefenen. Het UWV heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom het deze conclusie van Panteia terzijde heeft geschoven. Het UWV heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het Panteia-rapport met het intrekken van de bijzondere regeling niet meer van toepassing is, dat dit rapport geen wetenschappelijke status heeft en ook geen wetenschappelijk onderzoek betrof en dat het maar de vraag is of het Panteia-rapport als deskundigenrapport kan worden gezien. Het UWV maakt echter niet duidelijk waarom de intrekking van de regeling maakt dat de inzichten uit het Panteia-rapport niet meer relevant zijn en waarom dit rapport niet als deskundig onderzoek kan worden gezien, terwijl het rapport voorheen en jarenlang wel ten grondslag heeft gelegen aan het door het UWV toegepaste beleid.
5.4.
De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dan ook dat het UWV-advies van 2 september 2025 inhoudelijk niet inzichtelijk en concludent is, voor zover hierin wordt gesteld dat een zelfstandig werkend kok binnen drie tot zes maanden in de Aziatische keuken kan worden ingewerkt.
6. Het UWV heeft zich in zijn advies voorts op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden dat ten minste vijf weken voor het indienen van de aanvraag een (juiste) vacaturemelding aan het UWV is gedaan en dat de werkgever voldoende wervingsinspanningen heeft verricht. Het UWV heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de door de werkgever gestelde eis van twee jaar werkervaring een irreële functie-eis is waarmee de werkgever ten onrechte geschikte kandidaten heeft uitgesloten.
6.1.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft het UWV niet inzichtelijk gemaakt hoe het tot de conclusie is gekomen dat kandidaten na een inwerktijd van drie tot zes maanden de functie van kok in de Aziatische kok kunnen vervullen. Daardoor heeft het UWV ook niet inzichtelijk gemaakt dat de eis van twee jaar werkervaring als een irreële functie-eis moet worden gezien. Daar komt bij dat het kantoor dat de werving voor de werkgever heeft verricht op de zitting onbetwist heeft verklaard dat hij zijn vacature waarin de eis van twee jaar werkervaring wordt vermeld destijds heeft aangemeld bij het Servicepunt Aziatische Horeca van het UWV. Volgens de werkgever controleert het Servicepunt de wervingstekst op juistheid en stuurt het de vacature terug als hierin onjuiste functie-eisen worden gesteld. De werkgever stelt dat het Servicepunt de vacaturetekst in dit geval heeft goedgekeurd. Ook gelet hierop heeft het UWV naar het oordeel zonder nadere motivering niet inzichtelijk gemaakt waarom de eis van twee jaar werkervaring als een irreële functie-eis wordt gezien.
6.2.
Ten aanzien van de verrichte wervingsinspanningen heeft de werkgever van eiser op de zitting naar voren gebracht dat de vacature op verschillende websites is gepubliceerd. Ook heeft de werkgever, anders dan het UWV stelt, het advies van het Servicepunt Aziatische Horeca opgevolgd om in Nederland in de regio’s Amsterdam en omstreken, Rotterdam en Den Haag en omstreken, en in Denemarken te werven. De werkgever stelt dat hij honderden sollicitaties heeft ontvangen, maar dat een groot deel hiervan direct is afgevallen omdat zij afkomstig waren van personen van buiten de EU, dan wel personen die niet rechtmatig in Nederland mogen werken. Van de tientallen sollicitaties die overbleven, zijn geen geschikte kandidaten gevonden omdat zij een hoger salaris vroegen dan de in de vacature vermeldde bandbreedte, dan wel niet tot een overeenkomst kwamen met betrekking tot de secundaire arbeidsvoorwaarden. Gelet op deze inspanningen heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd dat de werkgever onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het kantoor dat de werving voor de werkgever heeft gedaan op de zitting naar voren heeft gebracht dat het direct na de afwijzing van de verlengingsaanvraag van eiser is overgegaan tot het werven van koks zonder het vereisen van enige werkervaring en dat daarbij tot op heden nog steeds geen geschikte kandidaten uit naar voren zijn gekomen.
7. Tot slot heeft het UWV tegengeworpen dat niet kan worden vastgesteld of eiser onder marktconforme voorwaarden zal worden tewerkgesteld. Het UWV heeft hierbij betrokken dat eiser is ingeschaald op functieschaal 4, terwijl voor de functie “zelfstandig werkend kok +variant” functieschaal 6 had moeten worden geboden.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV niet duidelijk gemaakt waarom de werkgever voor functieschaal 6 had moeten werven. In het EVZ-rapport van 2024 wordt voor de functie van zelfstandig werkend kok namelijk enkel vermeld dat de functie van zelfstandig werkend kok in functiegroep 5 valt en de functie van sous-chefkok in functiegroep 6. De functie van “zelfstandig werkend kok +variant” wordt in dit advies niet genoemd. De rechtbank stelt voorts vast dat in het UWV-advies van 24 januari 2025 het volgende staat vermeld:

In het Register, welke gold voor 24 december 2024, komt de functie van ‘zelfstandig werkend kok’ en ‘zelfstandig werkend +variant’ behorend bij loonschaal 5 en 6 voor. Gelet op de inhoudelijke taken en werkzaamheden, zoals vermeld op het aanvraagformulier en de vacaturemelding, komt deze het meest overeen met de functie van ‘zelfstandig werkend +variant’. Daarmee is de aanvraag beoordeeld als de functie van zelfstandig werkend kok +variant, conform het Register.”
Ook dit UWV-advies maakt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk waaruit volgt dat de werkgever voor functieschaal 6 had moeten werven. Eiser heeft bovendien op de zitting naar voren gebracht dat in de vacature niet voor functieschaal 4, maar functieschaal 5 is geworven en dat daarin ook een bepaalde bandbreedte is opgenomen, waarbij rekening wordt gehouden met de werkervaring van de vreemdeling. Gelet hierop kan het standpunt van het UWV niet zonder meer worden gevolgd.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de afwijzing niet zonder meer op het UWV-advies van 2 september 2025 kon baseren. De minister heeft in strijd met de op hem rustende vergewisplicht gehandeld. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb [15] niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.
9. De minister bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Daarbij krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. Aangezien de rechtbank de onderhavige zaken gelijktijdig met de zaken met zaaknummers NL25.43403 en NL25.43406 op zitting heeft behandeld, zal de rechtbank voor deze zaken tezamen één punt toekennen. Omdat de rechtbank deze punt reeds bij de proceskostenvergoeding in die zaken heeft toegekend, wordt de met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.43424:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.43428:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 388,- aan eiser te vergoeden.
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
2.Wet arbeid vreemdelingen.
3.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav.
4.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav.
5.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav.
6.Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wav.
7.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wav.
8.Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014.
9.Neergelegd in paragraaf 19a van de RuWav, Stb. 2019, 48234.
10.“Functie-eisen Aziatische horeca. Zijn eisen wat betreft kennis van taal en cultuur reëel en proportioneel?”.
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3143.
14.Niveau 4 staat gelijk aan dat van een zelfstandig werkend kok.
15.Algemene wet bestuursrecht.