Uitspraak
Datum uitspraak: 2 november 2022
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
Appellante is door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete van €1.250 opgelegd omdat zij niet binnen de gestelde termijn aan haar inburgeringsplicht heeft voldaan. Zij voerde aan dat zij vanwege de intensieve zorg voor haar zieke echtgenoot en drie kinderen niet in staat was om tijdig onderwijs te volgen en dat de boete daarom onredelijk en onevenredig was.
De minister baseerde zich op medische adviezen van een verzekeringsarts van Argonaut, die concludeerde dat er geen medische reden was om de inburgeringstermijn te verlengen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister zich op zorgvuldige wijze op deze adviezen mocht baseren en dat appellante onvoldoende concrete aanknopingspunten had geleverd om aan te tonen dat de zorg voor haar echtgenoot en kinderen haar belemmerde.
Verder werd overwogen dat de minister het boetebeleid niet onredelijk had toegepast en dat appellante onvoldoende inzicht had gegeven in haar financiële situatie om matiging van de boete te rechtvaardigen. Ook het beroep op artikel 4:94a Awb om de boete kwijt te schelden werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De boete van €1.250 wegens het niet voldoen aan de inburgeringsplicht wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.