Eisers hebben een opvolgend beroep ingediend omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe en behandelt de zaak zonder zitting.
In een eerdere procedure had de rechtbank de minister al opgedragen binnen acht weken een beslissing te nemen, maar deze verplichting is niet nagekomen. De rechtbank stelt vast dat het dossier mogelijk nog niet compleet is, maar gelet op het eerdere vonnis en het tijdsverloop bepaalt zij dat de minister binnen vier weken na deze uitspraak een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 15.000,-, om de minister te stimuleren tijdig te beslissen. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 233,50 vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep.